Uit een gezamenlijk onderzoek van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen (hierna Nationaal Rapporteur) en het CBS blijkt dat tussen de 2,5 en 4,1 procent van de jongeren die jeugdhulp ontvangen deze hulp krijgen na het meemaken van seksueel geweld. Het onderzoek is uitgevoerd als onderdeel van een omvangrijke monitor van de Nationaal Rapporteur, Slachtoffermonitor seksueel geweld tegen kinderen, die vandaag is gepubliceerd.

Landelijke info over aanleiding voor jeugdhulp ontbreekt

De Nationaal Rapporteur acht het van belang over informatie te beschikken over jongeren die jeugdhulp ontvangen naar aanleiding van seksueel geweld, om zijn wettelijke taak te kunnen vervullen te rapporteren over de aanpak van seksueel geweld. Op dit moment maakt de aanleiding tot hulp geen onderdeel uit van de wettelijk verplichte Beleidsinformatie Jeugd. Daardoor is niet te achterhalen welke vormen van jeugdhulp voor welke problemen ingezet worden. Om hier informatie over te krijgen, in ieder geval waar het slachtoffers van seksueel geweld betreft, is de Nationaal Rapporteur een samenwerking met het CBS aangegaan. Gezamenlijk hebben Nationaal Rapporteur en CBS een aanvullend onderzoek uitgevoerd onder jeugdhulpaanbieders die zijn aangesloten bij een van de drie grootste brancheverenigingen binnen de jeugdhulp: Jeugdzorg Nederland, GGZ Nederland en Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland. De leden van deze drie brancheverenigingen leveren samen ongeveer de helft van alle jeugdhulp in Nederland. De Nationaal Rapporteur heeft deze brancheverenigingen om hun steun gevraagd voor dit onderzoek en hun ledenlijsten gekregen.

Steekproefonderzoek

Het CBS heeft hieruit een steekproef van jongeren met jeugdhulp getrokken, in twee stappen. In de eerste stap is de directie van elk van deze instellingen gevraagd of ze mee wilden werken aan dit onderzoek. Er werd tevens gevraagd naar een contactpersoon, indien de instelling bereid was om mee te werken. Hierbij werd aangekondigd dat deze persoon dan, in verband met de vertrouwelijkheid van de gevoelige informatie, een aangetekende vervolgbrief zou ontvangen. Bij een positief antwoord heeft het CBS in de tweede stap een steekproef getrokken uit hun cliënten. Hierbij zijn maximaal 40 cliënten per instelling getrokken om zo de werklast voor de instellingen draaglijk te houden. Het CBS heeft deze steekproef getrokken uit de cliëntgegevens die alle jeugdhulpaanbieders elk half jaar verplicht aan het CBS leveren in het kader van de Beleidsinformatie Jeugd.

Het CBS heeft de contactpersoon bij de meewerkende instellingen vervolgens in een aangetekende brief gevraagd voor elk van de geselecteerde cliënten aan te geven of de jeugdhulp al dan niet is ingezet naar aanleiding van het meemaken van seksueel geweld. De antwoorden konden worden gegeven via een beveiligde website van het CBS. Het CBS heeft op deze wijze van 60 procent van de leden van deze brancheverenigingen gegevens ontvangen.

De vraag aan de instelling was als volgt geformuleerd: ‘Is de aanleiding van het geboden jeugdhulptraject van de cliënt (onder meer) (een vermoeden van) slachtofferschap van seksueel geweld?’
De instellingen werd gevraagd om voor de beantwoording van deze vraag te kijken in de verwijsbrief van de cliënt en/of het verslag van het intakegesprek. Of een cliënt het geboden jeugdhulptraject kreeg naar aanleiding van slachtofferschap van seksueel geweld is ter beoordeling overgelaten aan de medewerker die door de directie van de instelling was aangewezen deze lijst in te vullen. Wel werd er een toelichting gegeven op de term ‘(vermoedens van) seksueel geweld’. Deze luidde:
‘Seksueel geweld tegen kinderen is zeer divers en omvat (het getuige zijn van) manuele, orale, genitale en/of anale seksuele handelingen. Het kan onder meer gaan om fysieke dwang of ontucht; eenmalig of meermalig misbruik; fysiek en/of digitaal; binnen of buiten huiselijke kring en/of afhankelijkheidsrelatie; het kan worden gepleegd door één of meer minderjarige en/of volwassen dader(s).’

Bevindingen

Op basis van alle antwoorden is een schatting gemaakt van het percentage jongeren met jeugdhulp dat jeugdhulp ontvangt naar aanleiding van slachtofferschap van seksueel geweld. Dit blijkt 3,3 procent te zijn. Dit percentage is een schatting; de werkelijke waarde zal zich met een zekerheid van 95 procent bevinden tussen 2,5 procent en 4,1 procent. Het CBS heeft hierbij een schattingsmodel gebruikt waarin de volgende hulpvariabelen zijn meegenomen: het geslacht, de leeftijdsgroep, migratie achtergrond, type huishouden van het kind en de branchevereniging waar de betreffende jeugdhulpaanbieder lid van is.
Het betreft hier jongeren waarbij het seksueel geweld als aanleiding voor het hulptraject is geregistreerd. Sommige instellingen, met name vanuit de jeugd-GGZ, geven echter aan dat het slachtofferschap van seksueel geweld soms pas later in het traject naar voren komt. In dergelijke gevallen is het slachtofferschap van seksueel geweld bij aanvang van het traject niet als aanleiding geregistreerd.

Verdere analyse door Nationaal Rapporteur

De Nationaal Rapporteur heeft alle antwoorden nog nader geanalyseerd in combinatie met andere gegevens die beschikbaar zijn bij het CBS, waaronder de Beleidsinformatie Jeugd en de Beleidsinformatie Veilig Thuis. Deze nadere analyse heeft de Nationaal Rapporteur, onder strikte voorwaarden, uitgevoerd op de daarvoor bestemde beveiligde data-omgeving van het CBS. De resultaten van deze nadere analyses zijn door de Nationaal Rapporteur verwerkt in het rapport, dat zij vandaag hebben aangeboden aan de minister.

Bron: CBS