Voor de behandeling van longkanker bestaan diverse therapieën: chemotherapie, radiotherapie, targeted therapy en immunotherapie. Momenteel zijn voor immunotherapie twee geneesmiddelen geregistreerd in Nederland. Om niet onnodig medicijnen te geven aan patiënten, wordt eerst nagegaan hoe groot de kans op respons is. Jan von der Thüsen, patholoog in het Erasmus MC, legt uit hoe dat wordt vastgesteld.

“De twee geneesmiddelen voor immunotherapie grijpen in op een interactie die plaatsvindt tussen de afweercellen en tumorcellen van een patiënt”, vertelt hij. De interactie tussen het zogenoemde PD-1-eiwit op de afweercellen en PD-L1-eiwit op de tumorcellen zorgt ervoor dat de afweer tegen de tumor wordt geremd. Beide geneesmiddelen zijn erop gericht die interactie te doorbreken, zodat de afweercellen alsnog hun werk kunnen doen tegen de tumor. Belangrijk hierbij is dat het PD-L1-eiwit niet in gelijke mate op de tumorcellen van iedere patiënt aanwezig is.

Kans op respons

Uit diverse studies is gebleken dat patiënten met een hoger niveau van het PD-L1-eiwit op tumorcellen meer kans hebben op een respons van de immunotherapie. Daarom testen pathologen met een diagnostische test het PD-L1-niveau van tumorcellen bij alle patiënten waarbij deze therapie wordt overwogen. Dat doen ze door gekleurde antistoffen tegen PD-L1 aan te brengen op stukjes tumorweefsel van patiënten. Als er geen PD-L1 aanwezig is, worden de antistoffen weggespoeld. Als het er wel is blijven ze hechten aan het PD-L1-eiwit en kunnen ze dat zien aan de kleuringen onder de microscoop, legt Von der Thüsen uit. “Een van de medicijnen wordt alleen vergoed voor patiënten waarbij in meer dan 50 procent van de tumorcellen PD-L1 wordt aangetoond. Voor het tweede medicijn geldt een dergelijke drempel niet, maar dit mag alleen na eerdere behandeling met een ander geneesmiddel worden gegeven.”

Kwaliteit waarborgen

Om de kwaliteit van dit soort diagnostiek te waarborgen, is het essentieel dat de verschillende laboratoria in Nederland een vergelijkbare methode hanteren bij het uitvoeren van dergelijke diagnostische testen. Daarom vinden regelmatig trainingen plaats. Zo wordt ervoor gezorgd dat pathologen die de kleuringen beoordelen op de hoogte zijn van de potentiële moeilijkheden van de techniek die ze gebruiken, maar ook dat ze de juiste methodiek hanteren om tot een score te komen, vertelt Von der Thüsen. “Hierdoor is het niveau goed, maar dat wil niet zeggen dat we het niet moeten blijven verbeteren aan de hand van rondzendingen.” Een keer in de zoveel tijd worden er stukjes weefsel rondgestuurd naar de verschillende laboratoria om PD-L1-testen op uit te voeren. De resultaten daarvan worden vervolgens vergeleken met de gouden standaard. “Ik vind het mooi dat wij als pathologen beslissingen rondom de behandeling kunnen vergemakkelijken met dergelijke testen en geld kunnen besparen door geneesmiddelen voor te schrijven aan de juiste patiënten.”

Verschillende testen

Pathologen kunnen zowel commerciële als door het laboratorium zelf ontwikkelde testen gebruiken. De commerciële testen zijn vaak duurder en komen meestal in een kitvorm, met daarin alle benodigdheden voor een PD-L1-test. Dit zijn gestandaardiseerde testen. De fabrikant garandeert dat ze een betrouwbare aankleuring geven op goed verwerkt weefsel. Bij laboratoriumtesten is veelal sprake van vergelijkbare of dezelfde antilichamen als bij commerciële testen, maar pathologen maken hun eigen verdunningen om tot de kleuring te komen. Dit gebeurt wel volgens een vooraf vastgesteld protocol. “In potentie zou je met laboratoriumtesten dezelfde aankleuringspatronen kunnen krijgen als commerciële testen”, geeft Von der Thüsen aan. “In de praktijk merkten wij echter dat het moeilijk is om dat gecontroleerd op niveau te houden. Wij hebben daarom gekozen voor een kit. Desondanks sluit ik niet uit dat je met een goed gecontroleerde laboratoriumtest evengoed uit de voeten kunt. Wel moet je laboratoriumtesten regelmatig vergelijken met de gouden standaard – dat is vaak de kit.”