De laatste jaren zijn er veel mogelijkheden bijgekomen voor de behandeling van uitgezaaide longkanker. Tot 2010 was chemotherapie de enige vorm van behandeling die op grote schaal werd toegepast. Sindsdien zijn artsen steeds beter gaan begrijpen hoe longkanker in elkaar zit en wat de onderliggende genetische afwijkingen zijn, vertelt Egbert Smit, longarts in het Antoni van Leeuwenhoek in Amsterdam. “Zo ontstond de eerste aanloop naar personalized medicine, waarbij je de behandeling kunt toesnijden op een eigenschap van de kanker.”

Hoe ziet een dergelijke behandeling eruit?

“Je kunt op verschillende manieren naar kanker kijken. Vroeger baseerden we de behandeling op basis van hoe de kanker er onder de microscoop uitzag. Je kunt echter ook het erfelijk materiaal van de kanker bestuderen, om te zien of de kanker een eigenschap heeft die ervoor zorgt dat hij op medicijn A beter reageert dan op medicijn B. Dit wordt doelgerichte therapie genoemd; je zoekt naar een bepaalde eigenschap die een gunstige reactie op een medicament kan voorspellen. De laatste jaren zijn er veel medicamenten beschikbaar gekomen die ingrijpen op een bepaalde eigenschap van een tumor. Omdat verschillende kankers gevoelig bleken voor deze medicijnen, is de overleving van patiënten die de eigenschap bezitten waar de medicijnen op aangrijpen sterk toegenomen. Dit is een kant van het verhaal: kijken naar specifieke eigenschappen van de kanker op genetisch niveau.”

Welke ontwikkelingen zijn er nog meer?

“Sinds twee jaar hebben we ook de beschikking over immunotherapie. Dit is een behandeling die iemands afweer aanzet om de kanker te bestrijden. Op dit moment weten we nog niet zo goed welke patiënten we hiervoor precies moeten selecteren, alhoewel het PD-L1 eiwit, waarvan we de aanwezigheid op kankercellen kunnen meten, al wel een duidelijke richting geeft. Doelgerichte therapie is een op de persoon toegesneden behandeling. Voor immunotherapie moet het nog beter uitkristalliseren welke eigenschappen van de kanker voorspellen of iemand gunstig op de immunotherapie zal reageren. Dit soort voorspellers heten biomarkers. Een van de biomarkers die wel al bekend is, is het PD-L1-eiwit. Hoe meer PD-L1-positieve kankercellen aanwezig zijn, hoe groter de kans dat immunotherapie zal aanslaan. Bij een groot deel van de patiënten is echter niet voldoende van het PD-L1-eiwit in de tumor aanwezig om de behandeling met immunotherapie te starten. Voor hen weten we nog niet goed welke behandeling werkt. De laatste tijd komen gegevens uit onderzoek naar voren die suggereren dat combinaties van chemotherapie en immunotherapie bij die groep patiënten van belang zou kunnen zijn. Daarmee zouden we dan teruggaan naar een meer ongerichte behandeling, unpersonalized medicine.”

Hoe wordt bepaald welke behandeling nodig is?

“Als een patiënt in het ziekenhuis komt en er bestaat de verdenking op longkanker, wordt er een biopt – een stukje weefsel – van de kanker genomen. Dat wordt vervolgens onder de microscoop bekeken. Datzelfde weefsel kun je gebruiken voor genetische analyse of voor het opsporen van andere biomarkers. Het is namelijk standaard om het weefsel niet alleen te testen op de aanwezigheid van kanker, maar ook op de aanwezigheid van biomarkers, zoals het PD-L1-eiwit. Op basis daarvan wordt vervolgens de behandeling bepaald. Tegenwoordig is het bij sommige patiënten ook mogelijk om met bloedtesten op zoek te gaan naar specifieke biomarkers. Als het niet mogelijk is om een stukje weefsel op een veilige manier in handen te krijgen, dan kun je de analyse op basis van een bloedtest doen.”

ONCO-1256638-0000

Dit artikel is mede mogelijk gemaakt door MSD b.v.

Meer informatie?
www.avl.nl