In onze vergrijzende samenleving wonen ouderen steeds langer zelfstandig, in hun eigen woning. Dat stelt de nodige eisen aan de zorg en aan de woningen. Want niet iedere woning is geschikt voor mensen op hoge leeftijd en met een zorgbehoefte. Het kost de nodige moeite om alle betrokkenen voor aanpassing en nieuwbouw op één lijn te krijgen. Femke Daalhuizen en Frans Schilder van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) laten er hun licht over schijnen.

De overheid heeft de afgelopen jaren gestuurd op zo lang mogelijk zelfstandig blijven wonen voor ouderen. En veel ouderen willen dat zelf ook. Dat stelt eisen aan de zorg en aan de woningen waar ouderen wonen. Woningen moeten geschikt zijn of met aanpassingen geschikt gemaakt kunnen worden. Maar het gaat niet alleen om de woning zelf, ook de woonomgeving en sociale omgeving moeten geschikt zijn. Femke Daalhuizen is onderzoeker bij de afdeling verstedelijking en mobiliteit bij het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), als het ware een denktank voor de ministeries. “Er zijn veel partijen betrokken bij de opgave om ouderen zo lang mogelijk zelfstandig thuis te laten wonen”, vertelt ze. “Allereerst de ouderen zelf, maar ook gemeenten, wooncorporaties, zorgaanbieders en het bedrijfsleven zijn eraan verbonden. Het is belangrijk om eerst te kijken of de woning geschikt is, of geschikt te maken. Maar ook de woningomgeving is belangrijk: de woning kan zelf wel geschikt zijn, maar als je niet bij voorzieningen kunt komen heb je er weinig aan. Het derde aspect is de sociale omgeving: kun je de nodige ondersteuning van de mensen om je heen ontvangen, zoals mantelzorgers en zorgprofessionals.”

Veel partijen spelen mee

Programmamanager Frans Schilder ziet dat ouderen veel zelf doen of laten doen om zelfstandig te kunnen blijven wonen. “Aanpassen van de woning is uiteraard afhankelijk van wie de eigenaar van de woning is. Is de woning in eigen bezit of van een woningcorporatie. Het aanpassen van de omgeving is meer een taak voor de gemeente, maar ook OV-diensten en ondernemers. En voor het leveren van de zorg ben je weer afhankelijk van zorgaanbieders. Er zijn veel partijen die in het ‘geschikt maken’ een rol spelen. Zij zullen er met elkaar voor moeten zorgen dat woning, omgeving en sociale omgeving van voldoende kwaliteit zijn voor langer zelfstandig wonen.” Aanpassen van de woning zelf behelst onder meer het gelijkvloers maken, of het aanbrengen van een traplift. Met gegevens van het CBS heeft het PBL dit voor de Nederlandse woningen in kaart gebracht. Zo’n 7 procent van de woningen is niet geschikt te maken, dit zijn met name huizen in stedelijke gebieden: portiekflats en de spreekwoordelijke ‘drie hoog achter’-woningen. Het voorzieningennetwerk is in stedelijke gebieden juist weer wat beter. De grootte van het eigen sociale netwerk is sterk individueel afhankelijk. Uit het onderzoek blijkt dat 90 procent van de woningen geschikt is of geschikt is te maken voor minder dan 10.000 euro. Verhuizen doen ouderen, om verschillende redenen, liever niet, maar soms is het onvermijdelijk omdat de eigen woning niet geschikt is en ook niet geschikt is te maken.

“Het is soms verstandig om al tijdig een woning in een andere omgeving te betrekken, zodat je nog de tijd hebt om daar een sociaal netwerk op te bouwen”, vertelt Daalhuizen. “Maar over het algemeen zijn ze weinig geneigd om te verhuizen, om financiële redenen. Als ze een huurwoning hebben, hebben ze vaak een historisch lage huur. Of in het geval van een koopwoning, is de hypotheek meestal afgelost. Een verhuizing gaat bijna altijd gepaard met een stijging in woonlasten.” Schilder: “Soms doen ouderen verregaande concessies om maar in de eigen woning te kunnen blijven wonen. Als ze niet meer de trap op kunnen om zich in de badkamer te douchen, wassen ze zich beneden in de keuken. Of dit de manier is die de overheid voor ogen heeft bij ‘langer zelfstandig wonen’, waag ik te betwijfelen.”

Samenwerken

En precies daar ligt een uitdaging: wie is eindverantwoordelijk en/of neemt de regie om woning, omgeving en sociale omgeving op kwaliteit te brengen en te houden? Hoe werken al die verschillende partijen samen? Daalhuizen: “Formeel is het netjes geregeld. Met de hervorming van de langdurige zorg heeft de Rijksoverheid aangegeven dat alleen mensen met een zware zorgbehoefte in aanmerking komen voor 24-uurszorg of het wonen in een instelling. Mensen moeten het langer zelf redden en kunnen desgewenst aankloppen bij de gemeente, die de WMO (Wet Maatschappelijke Ondersteuning) heeft om aanvragen van ouderen te behandelen en te financieren. Dat zijn aanvragen bijvoorbeeld voor aanpassing van de woning of huishoudelijke hulp. Medische zorg kunnen ouderen zelf via hun zorgverzekering regelen.”

De gemeente zoekt in de praktijk coalities, bijvoorbeeld met wooncorporaties voor passende huisvesting. Maar tegelijkertijd constateert Daalhuizen dat de verschillende mogelijke coalitiepartners ook hun eigen doelstelling hebben, zoals het bieden van huisvesting of zorg. “Daarbij hebben ze hun eigen achterban en een eigen geografisch werkveld. Een wooncorporaties heeft als doel het bieden van passende huisvesting, maar niet alleen voor ouderen. Daarom leidt het niet altijd tot vanzelfsprekende samenwerkingen tussen gemeenten en mogelijke coalitiepartners.” Schilder beaamt dat. “Het blijkt vreselijk moeilijk. Het langer zelfstandig wonen door ouderen is slechts een van de vele taken en belangen die deze partijen hebben. Ook ontschotten heeft dan niet zoveel zin, de belangen zijn te divers.”

Beleggen in zorgvastgoed

Lastig is het ook om te bepalen wat een goed en geschikt woonconcept voor ouderen is. De ene oudere is de andere niet en ieder heeft individuele wensen en eisen. Een concept als Knarrenhof, waarbij ouderen kleinschalig als in een hofje zelfstandig samenwonen, is voor sommigen prima. Het is een goed idee dat ouderen elkaar ondersteunen. Tegelijkertijd maken te veel ‘zwakke broeders’ het concept wellicht kwetsbaar. “De term ‘geschikt woonconcept’ is ook weer heel individueel”, vindt Schilder. In dat kader vindt hij het een goede ontwikkeling dat zorgvastgoed is ‘ontdekt’ door beleggingsmaatschappijen. Dankzij beleggers neemt de variatie in zorgvastgoed toe, en daarmee de keuzevrijheid van ouderen om voor hen het meest geschikte woonconcept te vinden. “Het kan best zijn dat ouderen weliswaar houden van hun eigen woning in hun eigen wijk, maar eigenlijk naar een ander type woning zouden willen verhuizen, dat er nu wellicht nog niet is. Alle investeringen vanuit de markt waarmee meer diversiteit in het aanbod wordt gecreëerd, zijn alleen maar toe te juichen.”