De klinisch chemicus verruilt het laboratorium steeds meer voor de kliniek. Hier ondersteunt hij andere behandelaars in hun besluitvorming. Marc Elisen en Annemieke Heijboer leggen uit wat de toegevoegde waarde is van klinische chemie buiten het lab.

Digitalisering, multidisciplinair werken en een uitbreiding van diagnostische tests zorgen ervoor dat de klinisch chemicus steeds vaker betrokken wordt bij de besluitvorming van een behandeling. Hoe die rol er eerst uitzag? “Simpel gezegd is een klinisch chemicus van oudsher een dokter die naar bloed en andere lichaamsvochten kijkt, en daar slimme dingen over zegt,” vertelt de voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie (NVKC) Marc Elisen, “en iedereen begrijpt dat er achter die ene dokter een heel laboratorium zit.” Het is dit laboratorium, vertelt Elisen, waar eerder het zwaartepunt van aandacht lag. De laboratoria staan immers vol met meetapparatuur, en een zeer belangrijke taak van de klinisch chemicus was ervoor te zorgen dat de apparatuur van het ene laboratorium tot dezelfde resultaten kwam als de apparatuur van het andere laboratorium. Uniformiteit in resultaten, zo zegt Elisen, dát was lange tijd een van de belangrijkste doelen voor de klinisch chemicus.

Duiding

“Die meetprocessen, die krijgen wij inmiddels steeds meer onder controle,” vertelt Elisen. “En daarom houden klinisch chemici zich inmiddels steeds meer bezig met werk buiten het lab, namelijk de interpretatie van de meetresultaten.” Dat gebeurde voorheen ook al zegt Elisen, maar de verhouding is nu zo ongeveer omgedraaid: in plaats van het optimaliseren van meetresultaten is de voornaamste taak van de klinisch chemicus het duiden en interpreteren van de meetuitkomsten. “Het is bovendien steeds belangijker om meer te duiden”, vertelt Elisen, “omdat er steeds meer informatie beschikbaar is om te duiden. Er worden steeds meer tests uitgevoerd: omdat er meer biomarkers ontdekt worden, zijn er meer ziektes om te testen via lichaamsvochten. Wij moeten dus vaker input geven, omdat onze expertise bij steeds meer ziektebeelden relevant is. Bovendien: als er alleen binnen de klinische chemie al zoveel aandachtsgebieden bestaan, dan kun je niet verwachten dat andere behandelaars ook volledig op de hoogte zijn.”

Endocrinologie

Klinisch chemici die gespecialiseerd zijn in endocrinologie consulteren van oudsher al in de kliniek. “De voornaamste reden hiervoor is dat het meten van hormonen altijd al moeilijk is geweest. Daarom is het altijd goed onze resultaten achteraf te duiden aan de hand van de situatie buiten het lab,” zegt Annemieke Heijboer, afdelingshoofd Endocrinologisch Laboratorium (VUmc en AMC). Heijboer vertelt dat er verschillende mogelijkheden zijn waardoor de meetresultaten verstoord kunnen raken: “Interferentie of medicatie kunnen de resultaten vertekenen, maar ook het dag-nachtritme of de menstruele cyclus van vrouwen kunnen de uitkomst verstoren.” Daarom, zo zegt Heijboer, is het nodig om nauw contact te houden met de behandelend arts van de patiënt. Deze kan aangeven wanneer bepaalde waardes onwaarschijnlijk lijken gezien zijn observaties in de kliniek. Vice versa kan de klinisch chemicus-endocrinoloog de deskundige er op wijzen wanneer bepaalde waardes om aandacht vragen.

Brug

De klinisch chemicus dient als een belangrijke ondersteuning voor de behandelaars. Het verschilt hoe goed behandelaars over het algemeen op de hoogte zijn van de diagnostische mogelijkheden, zeggen zowel Elisen als Heijboer. Toch, vinden zij allebei, kun je hen dit moeilijk verwijten. “De ontwikkelingen gaan ontzettend snel,” vertelt Heijboer, “dus je kan niet van hen verwachten dat zij altijd op de hoogte zijn. Bovendien zie je dat nieuwe artsen steeds meer moeten kunnen, en daarom niet altijd veel tijd in het lab kunnen doorbrengen tijdens hun studie. Artsen van de oudere stempel konden dit over het algemeen wel, waardoor je soms ziet dat zij meer van de bepalingen afweten.”

Maar het belangrijkste, zo vinden zowel Heijboer als Elisen, is dat de klinisch chemicus de rol van verbinder blijft vervullen: hij of zij dient als brug tussen het laboratorium en de kliniek, en verbindt de krachten van beide disciplines. “Wij willen absoluut niet op de stoel van iemand anders zitten,” benadrukt Elisen. “We moeten alleen af van het zogeheten schaap met vijf poten: ken je
grenzen, wil ik daarmee zeggen. Niemand hoeft alles te weten, je hoeft alleen te weten wie welke informatie kan inbrengen. Wij klinisch chemici ondersteunen anderen graag met onze inbreng.”