“Nederlandse ziekenhuizen doen het momenteel goed op hygiënisch vlak. Maar de ervaring leert dat dan ook het risico bestaat dat de aandacht verslapt.” Als hoogleraar infectiepreventie probeert Andreas Voss het belang van hygiëne in de zorg voortdurend onder de aandacht te brengen. Een lastige opgave, want in tijden van relatieve voortvarendheid liggen aarzeling en gemakzucht op de loer. Voss streeft dan ook naar een blijvende cultuurverandering onder zorgpersoneel en wijst daarvoor op het gevaar van ziekenhuisbacteriën, die zo nu en dan alarmerende uitbraken veroorzaken. Maar op welke vlakken schiet de hygiëne nog tekort en hoe kunnen ziekenhuizen werken aan verbetering?

Personeelstekort en werkdruk

Voss vertelt dat hygiëne in de zorg afhankelijk is van talloze factoren. Zo is handhygiëne een fundamenteel onderdeel om verspreiding van ziekteverwekkers te voorkomen, maar is ook dat aspect verre van zaligmakend. “De Nederlandse infectiepreventie was in 2009 wereldwijd ongeëvenaard, maar op het gebied van handhygiëne scoorden we juist het slechtst”, duidt Voss het multifactoriële karakter van zijn vakgebied. Hij vermoedt dat onder meer het groeiende personeelstekort en het grote aandeel flex-medewerkers een rol speelt bij de huidige tekortkomingen in zorghygiëne. Voortdurende aandacht voor infectiepreventie is bij een beperkte of wisselende bezetting namelijk een flinke uitdaging. Voss: “Neem verpleeghuizen, daar staat een medewerker er soms alleen voor. Dat betekent dat een verpleegkundige voor diverse taken verantwoordelijk is. Diegene zit soms letterlijk met de handen in de luiers, terwijl ondertussen een alarm afgaat en iemand aan de deur staat.”

Ook Tineke Emans, voorzitter van de Vereniging voor Hygiëne en Infectiepreventie in de Gezondheidszorg, is enigszins ongerust over de huidige arbeidsomstandigheden. Zij denkt dat de werkdruk voor zorgmedewerkers op bepaalde momenten te hoog is om volledig aan de protocollen voor hygiëne te kunnen voldoen. Met name handhygiëne lijdt hieronder, stelt Emans. “Voor handen desinfecteren heb je minimaal dertig seconden nodig. Maar als er ondertussen veertig mensen in de wachtkamer zitten, schiet die aandacht er nog wel eens bij in.” Daar komt bij dat de aanwezigheid van tijdelijke krachten voor een extra uitdaging zorgt, vertelt Voss. Door het gebrek aan vastigheid komt de werkstructuur in het gedrang en is er sprake van ‘zwevende verantwoordelijkheden’: taken waarvan niemand weet tot wiens pakket ze behoren. Voss licht het probleem toe aan de hand van een voorbeeld: “Een uitbraak van een ziekenhuisbacterie werd eens veroorzaakt door het vertrek van één verpleegkundige. De betreffende medewerker nam altijd de schoonmaak van medische apparatuur op zich, een taak waarvan later bleek dat die door niemand was overgenomen.”

Gebrek aan tastbaarheid

Toch is bij een uitbraak meestal niet één factor aan te wijzen. Voss vertelt dat aan een infectie meestal een paar dagen incubatietijd voorafgaat. Een medewerker die drie dagen eerder diens handen niet heeft gewassen en vervolgens aan medische instrumenten zat, is zich vaak niet bewust van het feit dat zijn of haar handelen een besmetting heeft veroorzaakt. Voss: “Bij het toedienen van medicatie kan het verkeerde pilletje direct voor een reactie zorgen. Zoiets overkomt een medewerker dan geen tweede keer. Dat ligt bij een infectie heel anders.” Door het gebrek aan een directe actie en reactie is de oorzaak van een besmetting na afloop lastig vast te stellen en herkennen zorgmedewerkers hun oorzakelijke rol bij het probleem niet. Wiens handelen heeft de infectie veroorzaakt? En hoe kan het de volgende keer worden voorkomen?

Ook Emans denkt dat het gebrek aan tastbaarheid een rol speelt bij tekortschietende hygiëne. Zij stelt de retorische vraag ‘wie wast of maakt schoon met het doel micro-organismen te doden?’ Emans: “Een bed verschonen of ons lichaam wassen doen we omdat we houden van netheid. Een schoon laken ziet er prettig uit en een gewassen huid ruikt lekker. Toch zegt het uiterlijk of de geur weinig over de aanwezigheid van microorganismen.” En precies dat aspect is in ziekenhuizen van levensbelang. Idealiter worden oppervlakken die veelvuldig worden aangeraakt, zoals knoppen, tablets of medische apparaten, regelmatig gereinigd. Maar juist die taak bevindt zich in het zwevende gebied van verantwoordelijkheid, stelt Emans. “Ik zet dan ook vooral in op handhygiëne, zodat het aanraken van oppervlakken minder risico met zich meebrengt.”

Angst is een slechte raadgever

Ondanks alle aandacht voor hygiëne en infectiepreventie vinden er eens in de zoveel tijd uitbraken van ziekenhuisbacteriën plaats; gebeurtenissen die in de media volop aandacht krijgen. Dit veroorzaakt meestal een enorme bewustwording onder zorgprofessionals, want de schrik zit er na zo’n uitbraak goed in. Toch vindt Voss angst maar een slechte raadgever. Hij haalt een onderzoek aan uit Hong Kong, waaruit blijkt dat tijdens de SARS-epidemie in 2003 meer besmettingen met ziekenhuisbacteriën plaatsvonden. Onderzoekers constateren dat in die periode vaker handschoenen werden gedragen, die nauwelijks werden uitgedaan uit angst voor een SARS-besmetting. Een kwestie van onhandige zelfbescherming, vindt Voss. “Gebruik van handschoenen voorkomt goede handhygiëne. Daarmee verspreid je micro-organismen en is de kans op infecties voor anderen dus een stuk groter.”

Hetzelfde geldt voor griepepidemieën, waarbij de extra aandacht voor hygiëne en preventie vaak van korte duur is. Voss en Emans streven dan ook naar een cultuur waarin patiëntveiligheid ingebakken is in de werkwijzen en waarvan infectiepreventie een belangrijk onderdeel uitmaakt. Voss denkt dat hierin al stappen zijn gemaakt: “In veel ziekenhuizen geldt al een zerotolerancebeleid op het gebied van kleding. Want accessoires als horloges en sieraden zijn funest voor de hygiëne.” Emans denkt dat vooral het realiseren van een aanspreekcultuur voor veel vooruitgang zou zorgen. Ziet een zorgmedewerker een collega rondlopen die onvoldoende aandacht besteedt aan zijn of haar persoonlijke hygiëne? Dan zou die persoon hier in het ideale scenario op worden geattendeerd.

De vraag is in hoeverre zo’n arbeidscultuur haalbaar is. “Hoe spreek je een gerenommeerd specialist aan op diens persoonlijke hygiëne?” toont Emans zich bewust van de drempel die dat met zich meebrengt. Voss benadrukt vooral het belang van intrinsieke motivatie, want uiteindelijk kan een cultuurverandering alleen slagen als al het zorgpersoneel de waarde ervan onderschrijft. “En dat hoeft echt niet allemaal in één keer. Maar we moeten wel stapje voor stapje vooruitgang boeken om onze leidende positie in de wereld te behouden.”