Innovatie in de zorg is een veelbesproken thema. Ontdekkingen rondom het behandelen van ernstige ziekten, maar ook technologische ontwikkelingen zoals zorg- en operatierobots, doehet-zelf-diagnoseapparatuur en consulten op afstand spreken tot de verbeelding. Op technologisch gebied is tegenwoordig zoveel mogelijk, dat het steeds belangrijker wordt de vraag te stellen: Wat hebben we nodig?

Daniel Tijink, adviseur zorg & ICT, lid management team bij ECP, Platform voor de InformatieSamenleving, omschrijft de huidige situatie als een aanbodmarkt: de technologie ontwikkelt zich maar door en biedt constant nieuwe mogelijkheden voor de zorgsector. Een luxe positie, zou men kunnen denken, ware het niet dat niet iedere innovatie even nuttig, passend en gewenst is. “Bij innovatie in de zorg is vraag-articulatie heel belangrijk. Het wemelt van de nieuwe dingen, dus gaat het erom dat we weten wat we willen”, stelt Tijink. In de huidige situatie zijn patiënten, zorgprofessionals en zelfs beleidsmakers vaak nog reactieve spelers op de zorginnovatiemarkt. Nieuwe technologie wordt ontwikkeld en aangeboden, en vervolgens buigt men zich over de vraag wat ermee kan, hoe waardevol dat is en welke aanpassingen er nodig zijn in de zorgprocessen om het gebruik te faciliteren. “Op dat moment moet je het kaf van het koren scheiden; niet alles is even fantastisch.”

Innoverend vermogen

De adviseur krijgt bijval van Rik Wehrens, universitair docent aan de Erasmus School of Health Policy & Management. Wehrens is betrokken bij een Europees project waarin wordt geëxperimenteerd met zorggerelateerde big data en onderzocht de rol en verwachtingen van big data in de zorg. Hij bevestigt dat er op het gebied van technologische vernieuwing veel ontwikkeld wordt vanuit de producentenkant. “Men vindt de zorg een hele interessante sector. Zowel techstart-ups als grote spelers houden zich er steeds meer mee bezig.” Zij brengen veel innoverend vermogen met zich mee, maar doen dat vooral denkend vanuit de techniek. Natuurlijk houdt iedere producent wel rekening met de gebruikers, bijvoorbeeld middels onderzoek naar wat de beoogde doelgroep belangrijk vindt. Dat wordt echter nog steeds gedreven vanuit de (nieuwe) technologie. Wehrens: “Het polsen van je doelgroep is een begin. De volgende stap is om een service vanaf het begin samen met gebruikers te ontwikkelen. Die stap moet je zetten als je wil dat de innovatie echt onderdeel wordt van een organisatie.”

Momenteel blijven veel innovaties nog steken in de ontwikkelfase; brede inzet binnen een zorgorganisatie blijft uit. Volgens Wehrens is dat vaak te herleiden naar een gebrek aan wisselwerking tussen de ontwerper, ontwikkelaar en de zorgorganisatie. Men vergeet hoeveel werk het is om een innovatie daadwerkelijk onderdeel te maken van een bestaand zorgproces. “Ons idee bij innovatie is heel rechtlijnig: van productontwikkeling in een lineair proces naar implementatie.” In de praktijk werkt het anders, het is een kronkelig pad. Men zou dan ook moeten afstappen van het idee dat een innovatie klaar is wanneer hij geïmplementeerd wordt: op dat moment begint enkel de volgende fase van het proces.

Gouden bergen

Een andere uitdaging rondom zorginnovatie komt voort uit de torenhoge verwachtingen die men ervan heeft, stelt de universitair docent. Deze hangen volgens hem samen met het financiële systeem waarin men onderzoeksgelden moet binnenhalen. “Je creëert een situatie waarin iedereen die iets wil ontwikkelen allerlei gouden bergen moet beloven, terwijl dat niet reëel is. We weten namelijk dat technologie in de praktijk vaak anders uitpakt dan op papier.”

Ook Tijink ziet dat het financieringsmodel van zorginnovatie zijn weerslag heeft op uiteindelijke resultaten. Hij wijst erop dat de financiële stroom in de zorg anders loopt dan in andere markten. “De uiteindelijke zorgvragers, de patiënten, spelen geen vanzelfsprekende financiële rol. Zij bepalen niet waar het geld naartoe gaat. De zorgsector en zorgverzekeraars moeten dus extra hun best doen om patiënten een grotere rol te geven bij inkoopbeslissingen.” Zo zouden huisartsen met patiënten kunnen overleggen over een geschikt nieuw mailsysteem. Of kunnen verzekeraar, ziekenhuis en huisarts de patiënten laten meebeslissen over de introductie van hartbewaking op afstand. Het gaat daarbij niet alleen om de aankoop, maar ook om voorwaarden van gebruik zoals de aanwezigheid van een ondersteunende of educatieve helpdesk en de vraag wie toegang krijgt tot de nieuw beschikbare data.

Efficiëntie

Geld werpt nog een derde obstakel op in de vorm van een innovatie-onvriendelijk systeem dat zorgverleners en -organisaties betaalt per handeling. Met als gevolg dat efficiënter werken leidt tot minder geld. Ook het gebruikelijke systeem van jaarlijkse contracten tussen zorgorganisaties en zorgverzekeraars staat innovatie in de weg, omdat een periode van 365 dagen onvoldoende is om innovatiegelden apart te kunnen zetten.“Gelukkig komt daar verandering in”, observeert Tijink. “Het is nog moeilijk, maar er gebeuren interessante dingen met betrekking tot het afsluiten van langere contracten en innovatieve afspraken.” Daarnaast draagt ook de overheid bij, bijvoorbeeld met de Stimuleringsregeling E-Health Thuis. Via de in januari van dit jaar geïntroduceerde regeling stelt de overheid tot en met 2021 jaarlijks 30 miljoen euro beschikbaar voor het opschalen van e-health-toepassingen in de zorg. Het geld is specifiek bedoeld voor bestaande innovaties ter ondersteuning van thuiswonende ouderen en mensen met een (risico op) chronische ziekte of beperking.

Openbaar debat

In een ideale wereld zou iedereen die op welke manier dan ook gebruikmaakt van een innovatie betrokken worden bij het ontwerp. In het geval van digitale innovatie mag men wat Wehrens betreft nog een stap verder gaan. Hij stelt dat een brede maatschappelijke discussie wenselijk is rondom het nut, de risico’s en opbrengsten van grote, potentieel ingrijpende zaken zoals artificial intelligence (AI) en big data. “Neem een voorbeeld aan Frankrijk. Daar heeft de gegevensbeschermingsautoriteit een reeks openbare debatten georganiseerd waar vragen aan bod komen als: Wat vinden we van AI-ontwikkelingen? Het publiek wordt zo in brede zin betrokken.”

Ook op kleinere schaal ziet hij heil in dergelijke debatten, bijvoorbeeld in de vorm van een databeraad in een ziekenhuis. Tijdens dit soort discussies zou ook de Nederlandse houding tegenover digitalisering en privacy wat aandacht mogen krijgen, meent Wehrens. In vergelijking met sommige andere landen komt de term privacy in Nederland al snel ter sprake. “We lopen het risico dat we alles onder de privacynoemer scharen. Sommige innovaties zouden de zorg echt beter kunnen maken, maar blijven liggen vanwege privacy-opvattingen.” Hoewel het in acht nemen van privacy vanzelfsprekend belangrijk is, pleit Wehrens ervoor om ruimte te laten voor het continu afwegen van voor- en nadelen. Een te grote nadruk op privacy zorgt dat andere vragen onderbelicht blijven, denkt de universitair docent. Vragen zoals: Voor welke doeleinden zouden we (medische) data willen inzetten? En: Als we diagnostiek kunnen automatiseren, willen we dat dan?

Op weg naar betere zorg

Hoewel de betrokkenheid van alle partijen gewenst is bij zorginnovatie, zijn het volgens Tijink de zorgverleners die het grootste verschil kunnen maken op weg naar betere zorg dankzij technologische ontwikkelingen. Daarbij plaatst hij de kanttekening dat dit niet altijd even makkelijk is. Zo zijn er bijvoorbeeld digitale vaardigheden nodig om innovaties goed toe te passen. Het moeilijkste, denkt Tijink, is het feit dat werkwijzen zullen veranderen. “De komst van technologische innovatie is vooral eng omdat je je werk anders moet gaan organiseren. Maar daartegenover staat de kans om zorg patiëntgericht te maken, beter te maken.”