Als je weet wat de voedingsbodem en triggers zijn voor het proces van radicalisering, is het wellicht ook mogelijk om preventief op te treden. Hoe ziet die voedingsbodem eruit en hoe kan de samenwerking tussen diverse instellingen en overheid verbeterd worden?

Jolijn Broekhuizen is senior onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut, dat onafhankelijk onderzoek doet naar maatschappelijke vraagstukken. Broekhuizen zelf doet onderzoek naar de voedingsbodem voor radicalisering in Nederlandse gemeenten.

Zij heeft binnen het Kennisplatform Integratie en Samenleving (KIS) een instrument ontwikkeld om de vatbaarheid voor radicalisering in beeld te brengen. Dat kan gemeenten helpen om preventief beleid te verbeteren en aan te scherpen.

 

 

Voedingsbodem en triggers

Broekhuizen ziet drie bestanddelen in de voedingsbodem. Allereerst sociale factoren: jongeren kunnen vatbaar worden voor radicalisering als ze zich niet thuis voelen in de maatschappij en weinig toekomstperspectief hebben.

Ze hebben behoefte aan een positieve sociale identiteit, willen ergens bij horen, licht ze toe. Ten tweede spelen religieuze factoren een rol. De jongeren onderzoeken hoe ze als goede moslim in Nederland kunnen leven en zoeken naar zingeving en kennis over de islam.

Ze vinden het lastig om aansluiting te vinden bij de moskee, om Nederlandstalige kennis op te doen en kennis die aansluit bij hun leefwereld. Daardoor zoeken ze op andere plekken naar informatie. Als derde bestanddeel gelden politieke factoren.

“Ze ervaren een achterstelling van de moslimgemeenschap in de breedte en hebben een sterke behoefte aan rechtvaardigheid”, aldus Broekhuizen. Deze drie factoren maken hen vatbaarder voor radicalisering. Dat wil nog niet zeggen dat een jongere met deze voedingsbodem ook daadwerkelijk radicaliseert. Dat vraagt om triggers.

Geleidelijk proces

Bertjan Doosje is verbonden aan de psychologie- en politicologiefaculteiten van de Universiteit van Amsterdam. Hij bekleedt de leerstoel Radicalisering. Naast de voedingsbodem die Broekhuizen beschrijft, onderscheidt hij verschillende triggerfactoren.

Het proces van radicalisering verloopt vaak schoksgewijs, waarbij de schokken veroorzaakt worden door triggers: ingrijpende gebeurtenissen in het persoonlijk leven. “Dat kan bijvoorbeeld het overlijden van een dierbaar persoon zijn, waardoor je na gaat denken over wie je bent en wat je bestemming is. In een zoektocht naar identiteit bieden radicale boodschappen zekerheid, met een duidelijk beeld over wij en zij en gedragingen”, vertelt hij.

Een ander motief is ideologie, zoals rechtvaardigheid. Maar er zijn ook sensatiezoekers onder radicaliserende jongeren, mensen die houden van wapens, avontuur en geweld. Daarnaast zijn er de zingeving-zoekers. “Van zero tot hero, jongens die uit de criminaliteit komen en in Syrië een nieuw leven willen beginnen.”

Betere ketenzorg

Doosje vindt het lastig om aan te geven hoe signalen tot radicalisering opgevangen kunnen worden en hoe preventief gewerkt kan worden. “Er meer aandacht aan besteden, bijvoorbeeld op scholen. Meer kennis is nooit slecht. Je kunt op gemeentelijk niveau buurtteams faciliteren.” Omdat radicalisering een individueel proces is, is het lastig te vangen.

Zo kun je preventieve projecten en opvoedondersteuning onderscheiden van een meer persoonsgerichte aanpak. De ketenzorg ter preventie van radicalisering kan echter wel zo goed mogelijk ingericht worden. Broekhuizen: “Jeugdzorg kan bijvoorbeeld werken aan zelfvertrouwen, zelfreflectie en het weerbaar maken van jongeren.”

Jongerenwerkers hebben vaak contact met deze jongeren en moskeeën kunnen bijdragen aan een goede kennisvoorziening. Veel Nederlandse gemeenten werken hier, onder andere met deze partijen, gezamenlijk aan om ervoor te zorgen dat deze jongeren zich verbonden blijven voelen met de samenleving.