“Je moet gewoon positief denken.” Het is een uitspraak waar te veel mensen met een depressie nog mee geconfronteerd worden. Ondanks overheidscampagnes, evenementen en aandacht in de media is er nog een lange weg te gaan met betrekking tot het kennisniveau rondom depressie. Nathalie Kelderman, beleidsmedewerker en voormalig directeur bij de Depressie Vereniging en zelf ervaringsdeskundige, beschrijft de situatie als een paradox. “Enerzijds wordt er meer open over gesproken, anderzijds blijkt er nog heel veel onwetendheid te zijn.” Samen met Robert Schoevers, hoogleraar en afdelingshoofd Psychiatrie Universitair Medisch Centrum Groningen, vertelt ze over de impact, het behandeltraject en wensen voor de toekomst.

De tijd dat mensen depressie als aanstellerij wegzetten, is wel voorbij, denkt Kelderman. Wel blijft het moeilijk voor buitenstaanders om zich voor te stellen – laat staan te begrijpen – wat iemand met een depressie doormaakt. De uitdaging zit deels in het feit dat iedereen ervaring heeft met sombere gevoelens. Dat maakt dat mensen onderschatten in welke mate iemand met een depressie zijn eigen gemoedstoestand kan beïnvloeden, legt Kelderman uit. Waar iemand met een gezonde psychische gesteldheid zijn zinnen kan verzetten, lukt dat in een depressie niet. Juist voor die onmacht is weinig begrip, wat de gevoelens van schuld en schaamte bij mensen met depressie versterkt. “Je vraagt je af waarom het anderen wel lukt om van het leven te genieten en jou niet. Hoe moeilijk dat is en hoe uitzichtloos dat voelt, daar hebben mensen geen zicht op.”

Geen grip meer

Schoevers maakt onderscheid tussen gewone somberheid, die soms bij het leven hoort, en een depressie met behulp van het concept ‘grip’. Hij geeft aan dat veel mensen op enig moment aan criteria van een depressie, de zogenaamde DSM-criteria, zouden kunnen voldoen. Sombere gevoelens zijn dan echter gekoppeld aan een verlies of een moeilijke situatie waarin iemand zich bevindt. “Het kan zijn dat je volschiet of boos wordt als je daar aan denkt, of je kunt er slecht van slapen, maar op andere momenten kun je genieten van de zon of lachen om een grapje. Er zit dus nog een bewegelijkheid in je stemming die past bij waar je aan denkt of wat je aan het doen bent.” Als mensen echt in een depressie zakken, raken die gevoelens los van een aanleiding. Ze staan op zichzelf zonder dat iemand er nog grip op heeft. Schoevers benadrukt dat dat een kwalitatief ander gevoel is dan reguliere moeilijkheden in het leven. Een gevoel als een veer die alsmaar strakker wordt opgewonden, zonder dat je weet hoe hem weer los te laten. Als iemand dat voor het eerst meemaakt, is het ook voor een patiënt moeilijk om die klachten te herkennen als ‘een depressie’.

Sociaal isolement

Onbegrip en de depressieve gevoelens maken samen dat de ziekte een grote impact heeft op iemands leven. Iedereen ervaart een depressie anders, maar de gemene deler is een enorme eenzaamheid, stelt Kelderman. “Je ervaart geen vreugde, maar ook niet echt verdriet. Je bent afgesloten van je eigen gevoelsleven; het is allemaal heel dof. De meeste mensen kunnen na een tijd niet meer werken, waardoor je wereld steeds kleiner wordt.” Naast uitval op het werk komen mensen ook in een sociaal isolement, onder andere omdat ze zichzelf afsluiten als gevolg van gevoelens van waardeloosheid, hulpeloosheid en uitzichtloosheid. Bij een depressie die langer dan een paar maanden aanhoudt, bestaat de sociale cirkel vaak alleen nog uit directe familie en een enkele vriend(in). “En dat is al veel”, weet Kelderman.

Verdriet, onmacht en frustratie over de situatie waar de naaste of geliefde zich in bevindt, maken het moeilijk om samen te zijn met iemand die depressief is. Toch is het enige wat familie, vrienden en andere naasten kunnen doen “er gewoon zijn”. Bijvoorbeeld samen koken of even naar buiten, het samenzijn is het belangrijkste. Daarnaast is het van belang om bij een vermoeden van depressie professionele hulp te zoeken, als iemand nog niet behandeld wordt. De rol van naasten is daarin extra belangrijk, omdat het voor patiënten zelf moeilijk kan zijn om een depressie te herkennen, denkt Schoevers. Daarnaast spelen ook angst en stigma; niemand wil depressief zijn, dus de drempel om naar de huisarts te stappen ligt hoog.

Interventie en nazorg bij depressie

Wanneer die stap eenmaal gezet is, is de zorg die volgt in Nederland vrij goed georganiseerd, meent Schoevers. Hij stelt dat huisartsen een mogelijke depressie inmiddels vaak goed herkennen. Zo is in de afgelopen tien à vijftien jaar het aantal mensen dat met depressieve klachten bekend is bij de huisarts verdubbeld. Niet omdat het vaker voorkomt, maar omdat het beter wordt gesignaleerd, aldus de hoogleraar. Ook over de vervolgstappen is hij positief.

“Het protocol van huisartsen is om niet alles direct als depressie te labelen, en dat is ook goed. Het eerste wat men in de eerste lijn doet is evalueren hoe ernstig het is en adviseren over hoe iemand de komende dagen doorkomt, of iemand voor zichzelf kan zorgen, en of het mogelijk is om steun vanuit de omgeving te krijgen. Kortom: hoe iemand zelf weer grip kan krijgen op de klachten. Vaak gaan klachten dan ook weer over.” Een praktijkondersteuner speelt vaak een rol in deze eerstelijnsinterventie. Daarnaast kan een eerstelijnspsycholoog kortdurende psychotherapie geven en kan de huisarts zelf antidepressiva voorschrijven. Knapt iemand na een aantal maanden onvoldoende op, dan wordt er verwezen naar de tweede lijn.

Waar de behandeling zelf in principe goed in elkaar steekt, zijn er op het gebied van nazorg nog slagen te
maken, menen zowel Schoevers als Kelderman. Het zogeheten terugvalpreventieplan dat aan het einde van een behandeling wordt opgesteld is vaak onvoldoende, mede omdat de financiering niet doorloopt. Kelderman: “Momenteel wordt de diagnose-behandelcombinatie (DBC) gesloten als iemands toestand is verbeterd. Maar dan ben je nog heel kwetsbaar.” Ze zou graag zien dat de DBC geopend blijft, of gevolgd wordt door bijvoorbeeld een soort strippenkaart waarmee iemand een paar keer direct bij zijn eigen behandelaar kan terugkomen als het minder goed gaat.

“Dat zou veel leed en kosten besparen, want als het iemand zonder steun niet lukt, dan vallen ze flink terug en moet vaak weer van voren af aan begonnen worden.” Naast professionele nazorg, kunnen supportgroepen en lotgenotencontact een belangrijke rol spelen bij het doorlopend herstel. In een supportgroep vinden mensen (h)erkenning en steun van mensen die hetzelfde hebben meegemaakt. “Dit is hard nodig bij het herstel van een depressie”, aldus Kelderman.

Geestelijke gezondheid

Herkenning, erkenning, behandeling en nazorg zijn allemaal van belang, vat Schoevers samen. Voor de toekomst hoopt hij op nieuwe geneesmiddelen voor de 20 procent van chronisch depressieve mensen waarvoor de huidige behandelingen niet werken. Wel denkt hij dat de samenleving op zoek moet naar de balans tussen meer en betere behandeling van depressie als ziekte en het preventief werken aan geestelijke gezondheid. “Het herkennen en behandelen van depressie als ziekte is belangrijk, maar tegelijkertijd moeten we mensen weerbaar maken en leren omgaan met moeilijkheden in het leven.” Dat kan beginnen met geestelijke gezondheidsles op school, stelt Kelderman voor. Door op jonge leeftijd te leren dat het leven moeilijke situaties en gevoelens met zich kan meebrengen, zijn deze op latere leeftijd beter te plaatsen en makkelijker te bespreken. Daar sluit Schoevers zich bij aan. “Hoe meer het een huis-tuin-en-keukenonderwerp wordt, hoe meer mensen er baat bij zullen hebben.”