Ieder kind heeft rechten. Recht op een gezond leven, op familie, veiligheid en meer. Deze rechten komen voort uit wereldwijde afspraken en staan beschreven in het Kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties. Nederland doet het over het algemeen goed op dit gebied: in 2013 concludeerde Unicef in een rapport dat Nederlandse kinderen het gelukkigst waren in vergelijking met 28 andere rijke landen. In de praktijk gaat het echter niet met alle kinderen even goed. Het Jaarbericht Kinderrechten 2018 stelt dat er meer gedaan moet worden voor verschillende groepen kwetsbare kinderen. Een van de verbeterpunten is het bieden van de juiste zorg. Die zorg is constant in beweging. Zo heeft de Nederlandse jeugdzorg de afgelopen jaren een aantal veranderingen ondergaan. Met de Jeugdwet van 2015 werd een transformatie in gang gezet waarbij de bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid voor alle jeugdzorg bij gemeenten kwam te liggen. Waar voorheen verschillende overheidspartijen verantwoordelijk waren voor het aanbod en de financiering van jeugdzorg, werd met deze decentralisatie alles ondergebracht bij een en dezelfde partij.

Transformatie

Onder de nieuwe wetgeving hebben gemeenten onder andere de plicht om jeugdhulp en ondersteuning te bieden waar nodig. Samengevat moeten ze adviseren welke hulp het beste past, samen met de jeugdige de goede vorm van jeugdhulp kiezen, en zorgen dat de gekozen jeugdhulp ook echt beschikbaar is. Dit alles gebeurt als onderdeel van een zogeheten gemeentelijk jeugdplan waarin men eens in de vier jaar de visie, uitvoering, beoogde uitkomsten en kwaliteitseisen rondom jeugdzorg vastlegt. Het is een verandering waar Rob Gilsing, lector Jeugdhulp in transformatie bij de Haagse Hogeschool, in zijn proefschrift in 2005 al voor pleitte. “De gedachte is dat gemeenten de hulp het beste kunnen toesnijden op de lokale bevolking en de infrastructuur die er al is op het gebied van zorg.”Een ander idee achter de transformatie is dat het preventie moet stimuleren. Wanneer gemeenten verantwoordelijk zijn voor het inkopen van zowel relatief goedkope preventieve zorg als dure gespecialiseerde zorg, en daar een overkoepelend budget voor krijgen, is de hoop dat men zich eerder op preventie richt. Gilsing ziet dit in de praktijk nog maar beperkt gebeuren. Hoewel hij toegeeft dat zijn waarneming selectief is, ziet hij dat de transformatie nog niet echt van de grond is gekomen – men is nog in transitie.

Zorg voor de Jeugd

Dat is ook de conclusie van de recente evaluatie van de Jeugdwet en het daaruit voortgekomen Actieprogramma Zorg voor de Jeugd. Het programma werd in april dit jaar aan de Tweede Kamer aangeboden door de ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Justitie en Veiligheid. “De evaluatie laat zien dat met de decentralisatie van de jeugdzorg naar gemeenten een goede beweging in gang is gezet”, stelt het programma. Uit de evaluatie bleek echter ook dat doelen zoals het bieden van tijdig passende hulp en meer samenwerking nog niet zijn gerealiseerd. Het ontbreekt veelal nog aan een goede verbinding tussen gemeenten, onderwijs en hulpaanbieders uit andere domeinen, zoals schuldhulpverlening of maatschappelijke ondersteuning.Ook het belang van het kind staat nog te vaak niet voorop en te veel kinderen zitten thuis zonder een passend aanbod vanuit het onderwijs of de zorg. Dat terwijl zowel gemeenten als het onderwijs een zorgplicht hebben. Marieke Beentjes, orthopedagoog-generalist en lid van de ledenraad van de NVO (Nederlandse Vereniging van pedagogen en Onderwijskundigen), wijst naar een aantal uitdagingen die hieraan bijdragen. Goede zorg voor een kind vraagt vaak om samenwerking van de school, de ouders, hulpaanbieders en het kind zelf. Wat daarbij lastig is, is dat niet iedereen dezelfde taal spreekt, zegt Beentjes. “Partijen uit het onderwijs en partijen uit de jeugdzorg hanteren dezelfde werkzame principes, maar gebruiken andere wetenschappelijke bronnen en andere benamingen.” Dat maakt communiceren over een plan van aanpak lastig, terwijl men in de basis dezelfde dingen wil.
Naast moeizame communicatie werpen procedures en een gebrek aan vertrouwen barrières op. Stel: een school is al een tijd bezig met een kind en denkt te weten wat er nodig is om hem of haar verder te helpen. Een jeugdhulpaanbieder wordt ingeschakeld met de vraag dit uit te voeren. Die aanbieder is echter niet bekend met het kind en begint dus met een intake en lichte interventie, in plaats van met de maatregelen waarvan de school denkt dat die zo snel mogelijk nodig zijn. “De jeugdhulpaanbieder voelt zich vaak genoodzaakt klinisch, en volgens een bijna medisch model, te werk te gaan. Eerst vragenlijsten invullen en indicaties stellen.” Uiteraard is dat deels ook goed, maar de basis zou moeten beginnen bij het vertrouwen in elkaar als professionals, denkt Beentjes. Als professionals uit het onderwijs aangeven wat er mis gaat, neem het als zorgprofessional aan. Men hoeft dit vanuit de jeugdzorg niet direct te bevestigen of ontkrachten. Dat geldt ook andersom. “Neem het als school aan van een zorgprofessional. Heb vertrouwen in mensen uit de zorg die bijvoorbeeld dagelijks bij iemand thuis komen.”

Zes actielijnen

Om deze en andere gebreken die naar voren kwamen in de evaluatie aan te pakken, streven de partijen achter het Actieprogramma Zorg voor de Jeugd naar betere ondersteuning voor kinderen, jongeren en gezinnen tijdens de levensloop van het kind, zowel thuis, uitwonend, op school en wanneer ze 18 worden. Het Rijk, gemeenten, aanbieders en cliëntenorganisaties willen dit bereiken met behulp van zes actielijnen:

1. betere toegang tot jeugdhulp voor kinderen en
gezinnen;
2. meer kinderen zo thuis mogelijk laten opgroeien;
3. alle kinderen de kans bieden zich optimaal te
ontwikkelen;
4. kwetsbare jongeren beter op weg helpen
zelfstandig te worden;
5. jeugdigen beter beschermen als hun
ontwikkeling gevaar loopt;
6. investeren in vakmanschap van
jeugdprofessionals.

Samenwerkingsverbanden

In die laatste actielijn kan Beentjes zich goed vinden. Scholen zijn verplicht om binnen samenwerkingsverbanden te zorgen voor passend onderwijs voor ieder kind. De professional die voor de klas staat is echter veelal onvoldoende toegerust om dat te laten slagen. “Het adequaat omgaan met ernstige gedrags- of angstproblematiek of hoogbegaafdheid is een vak apart”, aldus Beentjes. Onder andere een gebrek aan kennis en de juiste vaardigheden heeft ertoe geleid dat het aantal kinderen dat thuis zit juist is toegenomen. Dat kan zijn omdat ze niet meer naar school mogen in verband met bijvoorbeeld agressie, maar ook omdat ze zelf niet meer durven. Wat de oorzaak ook mag zijn, deze zit deels bij de leerling zelf, maar veelal ook in het systeem, meent de orthopedagoog. “Er gaat iets mis in de driehoek tussen leerling, school en ouders.” Natuurlijk zijn er ook samenwerkingsverbanden waar het wel lukt om kinderen passend onderwijs te bieden eventueel in combinatie met de juiste zorg buiten schooltijd. Het is jammer dat die kennis te weinig wordt gedeeld, stelt Beentjes. In plaats daarvan is ieder samenwerkingsverband het wiel opnieuw aan het uitvinden om te voorkomen dat kinderen thuis komen te zitten. Zelf zou ze graag zien dat ieder kind een ‘mentor’ heeft die al in deze leerling investeert nog voordat er iets is voorgevallen. Iemand die investeert in de band, regelmatig contact heeft en makkelijk aanspreekbaar is. Door die relatie vanaf het begin op te bouwen, wordt het makkelijker om een kind weer snel terug in zijn of haar ritme te helpen bij beginnende problematiek. Zowel de samenwerkingsverbanden van schoolbesturen als gemeenten moeten hun plannen rondom jeugdhulp en passend onderwijs met elkaar bespreken. Gemeenten ontkomen er daarnaast niet aan om bij het opstellen van hun jeugdplan advies in te winnen bij aanbieders die het plan moeten helpen uitvoeren. Ook van zorgaanbieders onderling wordt meer samenwerking verwacht, bijvoorbeeld binnen wijkteams, buurtteams of wijknetwerken waarin zorgprofessionals uit verschillende domeinen hun expertise bundelen. Door een meer integrale aanpak kan eventuele problematiek bij het kind zelf, binnen het gezin of op school vroegtijdig worden gesignaleerd en holistisch worden aangepakt binnen een team. Een mooie ontwikkeling, maar ook een die veel vraagt van de betrokken partijen, zegt Gilsing. “Men moet anders gaan werken en denken”, legt hij uit. Aan goede wil en inzet ontbreekt het volgens de lector zeker niet, maar het daadwerkelijk vormgeven van een dergelijke samenwerking kost tijd. “Professionals moeten zich leren verhouden tot mensen die werkzaam zijn in een andere sector, met een andere visie en een andere taal.”

‘Breng voortgang in kaart’

De partijen achter het Actieprogramma Zorg voor de Jeugd erkennen dat er drie jaar na het invoeren van de Jeugdwet nog voldoende werk aan de winkel is. “De evaluatie laat zien dat ouders en medewerkers in de praktijk nog onvoldoende verbeteringen zien.” Wel benadrukken ze dat de wet op zichzelf een ‘nieuwere en betere wet’ is. Gilsing ziet de voortgang van de wat hem betreft veelbelovende ontwikkelingen graag tegemoet, maar pleit er wel voor om goed in kaart te brengen hoe het ermee gaat. “Het is vooral op basis van aannamen dat we denken dat meer inzet op preventie en eigen kracht leidt tot betere en lichtere hulp. Er is voor de Nederlandse situatie nog weinig onderzoek dat dit aantoont.” De lector geeft aan dat dit gezien het werkveld helemaal niet gek is; dit onderzoek kan pas gedaan worden wanneer men met de transformatie aan de slag gaat. Dat moet men nu dus gaan doen. “Laten we volgen hoe de transformatie verder uitpakt en wat deze betekent voor de jeugdigen en gezinnen die er zelf niet helemaal uitkomen.”