Op tal van plekken worden initiatieven ontplooid om tot intensievere samenwerking te komen tussen het primair en voortgezet onderwijs en de kinderopvang. Die ontwikkeling naar wat een doorgaande leerlijn wordt genoemd, heeft ingrijpende organisatorische gevolgen, maar is belangrijk voor een stabiele leeromgeving.

Doorlopende leerlijnen, waarbij het proces niet stokt na elk schooljaar en een optimale aansluiting mogelijk maakt op vervolgonderwijs, vormen de rode draad bij het leren van bijvoorbeeld rekenen en taal. Ze omvatten een opsomming van de leerstof die behandeld moeten worden, onderbouwd met vakdidactische inzichten.

Buitenschoolse opvang

Om een doorlopende leerlijn te realiseren die nog een stap verder gaat, organiseren scholen steeds vaker kinderopvang in eigen beheer of intensiveren ze de samenwerking met kinderopvangcentra. Leerkrachten en pedagogisch medewerkers krijgen daardoor beter zicht op de ontwikkeling van kinderen van nul tot twaalf jaar en dat draagt volgens deskundigen bij aan het welzijn van het kind.

Dit proces lukt volgens Goos Minderman, hoogleraar Governance (voorheen VU, nu internationaal) alleen als participanten bereid zijn over hun grenzen te kijken. Ontkokering is noodzakelijk, want hoewel het lijkt alsof er zelfstandigheid moet worden ingeleverd, levert bundeling van krachten juist meer op, vindt hij. Bovendien is dat vereist om adequaat om te gaan met de gevolgen van de in gang gezette beweging.

Integrale aanpak

Anko van Hoepen, vicevoorzitter van de PO-Raad sluit zich daarbij aan. “Kijken we naar de doorlopende leerlijn, dan zien we twee aspecten: de organisatorische, gericht op de overgangen tussen de groepen binnen de school en die tussen de opvang, en de individuele doorgaande leerlijn gericht op de ononderbroken ontwikkeling van het kind.”

Dat vergt afstemming tussen de betrokken partijen, maar die krijgen van de overheid onvoldoende ruimte om dat vorm te geven, vindt Van Hoepen. Ook moet er een discussie gevoerd kunnen worden over verantwoordelijkheden, want dat hoort bij dit proces, vindt Van Hoepen. “Voorheen richtte de samenwerking zich vooral op het onderling afstemmen van elkaars activiteiten. Nu gaat het om het vormgeven van een integrale aanpak waarbij het belang van het kind centraal staat.”

Obstakels wegnemen

Vaak is de wil om samen te werken wel aanwezig, maar blijft het lastig om de obstakels weg te nemen die de gewenste integratie blokkeren. Op tal van vlakken doen zich knelpunten voor als organisaties hun krachten willen bundelen. Daarbij spelen bijvoorbeeld naast verschillende arbeidsvoorwaarden met name cultuurverschillen tussen opvang en onderwijs een rol.

Juist die verdienen volgens Van Hoepen en Minderman aandacht als je op lange termijn een stabiele samenwerking wilt realiseren. Dit proces is afhankelijk van de wensen en mogelijkheden van de betrokken partijen, zegt Van Hoepen. Bovendien heeft een basisvoorziening voor kinderen behalve organisatorische ook financiële gevolgen.

“Toch zie ik dat we toewerken naar een doorgaande leerlijn voor nul- tot twaalfjarigen, een combinatie van dagopvang, spelend leren voor kleuters, de basisschool en buitenschoolse opvang. Ook richten we ons op het voortgezet onderwijs met initiatieven als het onderwijs voor tien- tot veertienjarigen.” Op veel plaatsen in Nederland wordt al succesvol volgens deze aanpak gewerkt en die ontwikkeling gaat door, verwacht hij.