Een onvervulde kinderwens is confronterend. Stellen bij wie het niet lukt om zelf zwanger te worden, komen bijna dagelijks in aanraking met baby’s en kinderen. Hoewel een op de zes stellen er in meer of mindere mate mee te maken krijgt, heerst er nog altijd een taboe rond vruchtbaarheidsproblemen. Dat terwijl het delen van ervaringen veel steun kan opleveren en bijdraagt aan meer bekendheid rondom de problematiek en behandelmogelijkheden.

“Het is een taboeonderwerp”, bevestigt Marjolein Grömminger, woordvoerder bij Freya, de vereniging voor mensen met vruchtbaarheidsproblemen. Het heeft te maken met seks, het zijn persoonlijke verhalen en het delen ervan kan ingewikkeld voelen. Sommige stellen ervaren teleurstellende reacties in de vorm van advies om een hond te nemen of vrienden die grappend voorstellen: “Je mag mijn kinderen wel lenen!” Daartegenover staan stellen die in een warm bad terechtkomen wanneer ze open zijn over hun situatie.

Grenzen verleggen

Hoewel die situatie voor iedereen anders is, delen de stellen die Annelies Bos ziet wel allemaal dezelfde diepgewortelde wens om een kind te krijgen. Bos is gynaecoloog en medeoprichter van de eicelbank in het UMC Utrecht. Mensen die bij haar aankloppen hebben vaak al een behoorlijk traject achter de rug, maar willen niet opgeven. “Ze zijn bereid om hun grenzen te verleggen.” Daartoe behoort ook de stap om gebruik te maken van een eicel van een ander wanneer de wensmoeder zelf geen geschikte eicellen (meer) heeft.

Stellen kunnen zelf een donor zoeken, maar sinds een aantal jaar kent Nederland ook drie eicelbanken. Wensouders weten die goed te vinden, maar de hoeveelheid donoren blijft nog achter met als gevolg dat het aantal stellen dat zich aanmeldt met een kinderwens vele malen hoger ligt dan het aantal beschikbare gedoneerde eicellen. Dat het mogelijk is een eicel te doneren, om die vervolgens na bevruchting in het laboratorium in de baarmoeder van een wensmoeder te plaatsen, is nog niet alom bekend. Wel is de situatie in de afgelopen tien jaar sterk verbeterd. “Mensen durven er meer over te praten en delen het ook buiten hun directe kring. Het wordt ook maatschappelijk steeds meer geaccepteerd”, merkt Bos. Wel blijft het zo dat het proces voor de donor ingrijpend is. Deze ondergaat een bijna volledige ivf-behandeling met hormonale onderdrukking van de cyclus en stimulatie van eicelblaasjes, hormooninjecties en een eicelpunctie. Uitzicht op een minder belastend alternatief is er voorlopig nog niet.

Psychosociale impact

Naast de lichamelijk zware behandeling komt bij eiceldonatie voor zowel de wensouders als de donor een psychosociaal aspect kijken. De wensmoeder draagt een kind waarvan ze niet de biologische moeder is, terwijl het kind dat geboren wordt het recht heeft om de donor op latere leeftijd op te sporen. “Je moet goed weten waar je aan begint en daar worden ook uitgebreide gesprekken over gevoerd”, legt Grömminger uit. “Het is iets heel moois en waardevols, maar je moet het weloverwogen doen.” Ook wensouders moeten goed blijven stilstaan bij wat alle behandelingen met ze doen. Het kan een jarenlang proces zijn, zonder garantie dat het uiteindelijk lukt. Grömminger hoopt dat mensen ruimte voelen om bij de omgeving of professionals steun te zoeken. “Dat is echt geen schande. Denk ook aan jezelf.”