De 65-jarige René Ligthart werd geboren met slechte hartkleppen en werd al op zeer jonge leeftijd voor het eerst geopereerd. Vele operaties en twee kunstkleppen later is hij voor de rest van zijn leven gebonden aan antistollingsmiddelen. De mogelijkheid om zelf zijn INR-waarde te meten door middel van een vingerprik was daarom voor hem een enorme uitkomst.

Al van jongs af aan weet René hoe het is om elke twee à drie weken zijn INR-waarde te moeten meten en antistolling in te nemen. In de eerste periode nadat hij aan zijn hartkleppen geopereerd was en een kunstklep had gekregen, rond zijn dertigste, liet hij dit meten bij de trombosedienst. Omdat hij hierdoor regelmatig later aankwam op zijn werk, is hij zelf op zoek gegaan naar alternatieven.

Na een gesprek met zijn cardioloog, inmiddels ruim dertig jaar geleden, stelde deze voor om te onderzoeken of René in aanmerking zou kunnen komen voor het zelfpriksysteem. Hierbij kan een patiënt zelf zijn of haar INR-waarde meten door een druppeltje bloed af te nemen middels een vingerprik.
René: “Een kunstklep en bijbehorende antistolling is toch iets dat je leven tekent. Het meten van de waarden en het innemen van de medicatie moet voor elke patiënt zo soepel mogelijk verlopen. Natuurlijk is dit voor iedere patiënt anders.”

 

 

 

Leren omgaan met zelfmanagement

Voor René lag de sleutel tot ontzorging bij de vingerprik die hij zelf thuis kon uitvoeren. Voordat hij de beschikking kreeg over de benodigde apparatuur, kreeg hij een cursus waarin hem geleerd werd hoe hij de meter moest gebruiken.

Daarnaast kwam René ook in aanmerking om zelf te doseren, vertelt hij. “Met geen enkele medicatie is het verstandig te sjoemelen, maar met antistolling luistert de inname enorm nauw.” Als René zijn INR-waarde heeft gemeten met de meter , voert hij de waarde in een online dossier in, waarna hij een doseerschema krijgt voor de volgende twee à drie weken.

Dit dossier is voor zowel René als zijn artsen en de trombosedienst in te zien, zodat zijn gegevens continu bij alle betrokkenen bekend zijn. Ook benadrukt hij dat het zo nu en dan nuttig kan zijn als er altijd een echtgenoot of andere naaste beschikbaar is om mee te kijken wanneer er geprikt moet worden. “Soms ben ik wat gehaast of gestrest en voer ik verkeerde gegevens in. Als ik dan een foutmelding krijg, is het fijn dat ik met mijn partner na kan gaan waar het misging.”

Zelfcontrole

René vindt het een prettig idee dat hij zijn eigen ziektebeeld nauwkeurig in de gaten kan houden. Wanneer zijn INR-waarde uitschieters omhoog of omlaag vertoont, kan hij nu dan ook precies nagaan waar dit door komt en hier zijn dosering op aanpassen.

Ook heeft hij altijd de mogelijkheid om een keer extra te prikken bij bepaalde omstandigheden die invloed hebben op zijn ziekte, bijvoorbeeld warmte, gebruik van andere medicatie of een veranderd voedingspatroon. “Die mogelijkheid tot zelfcontrole heeft mij erg veel vrijheid en rust gebracht.”

Nauwkeurige overweging

Tot slot benadrukt René dat de beslissing om over te gaan op zelfmanagement weloverwogen genomen moet worden. Zelfprikken is ideaal voor mensen die zelf de regie willen krijgen of behouden over hun eigen ziektebeeld, maar voor mensen die het prikken liever aan anderen overlaten en/of meer behoefte hebben aan een regelmatig bezoek aan een specialist, is het prikken bij de trombosedienst een betere optie.

“Wanneer je de regie op je eigen ziektebeeld voor een groot deel overneemt, komt daar veel verantwoordelijkheid bij kijken. Het is belangrijk om na te gaan of je die verantwoordelijk wel wilt en kunt nemen.”