Longziekten spelen een rol bij 25 procent van het totaalaantal sterfgevallen in Nederland. Van de mensen die worden opgenomen voor een longaanval overlijdt binnen twee jaar 35 tot 50 procent. Bij opname voor een hartaanval is dat 8 tot 15 procent. Ieder jaar overlijden in ons land ruim 2.000 mensen aan een beroepslongziekte. Het zijn cijfers waar iedereen van schrikt.

En toch krijgen longziekten te weinig erkenning, worden te weinig maatregelen genomen om deze ziekten te voorkomen, en worden longziekten vaak niet tijdig herkend en niet optimaal behandeld. Artsen stellen dat meer onderzoek nodig is naar het ontstaan en de behandeling van longaandoeningen.

Beroepslongziekten in Nederland

Nederland telt ruim één miljoen mensen met een longziekte zoals astma, COPD en longkanker. Tenminste 15 procent van alle gevallen van astma op volwassen leeftijd is arbeidsgerelateerd. Een groot aantal mensen werkt in een situatie waarbij zij regelmatig en soms voortdurend worden blootgesteld aan producten die astma kunnen veroorzaken. Als zij ook gevoelig zijn om astma te ontwikkelen, is het hoogstwaarschijnlijk dat zij, als geen maatregelen worden genomen om blootstelling volledig te voorkomen, ook astma krijgen. Hoewel mensen vanzelfsprekend ook in hun privéleven worden blootgesteld aan allergenen en andere schadelijke stoffen, is de mate van blootstelling in een werksituatie vele malen hoger. De concentratie is hoger en het aantal uren dat iemand wordt blootgesteld is groter.

Risico’s voor werknemers

Er zijn bepaalde sectoren waar medewerkers worden blootgesteld aan longziekteverwekkendestoffen zoals lasrook, stuifmeel, dieselmotoremissie, biologische en chemische allergenen, endotoxinen, ammoniak en kwartsstof. Hoewel de risico’s bekend zijn, nemen werkgevers doorgaans weinig maatregelen om hun medewerkers te beschermen. Een werkgever moet een Risico-Inventarisatie & Evaluatie (RIE) maken van de werkplek, maar aan juist deze gevaarlijke stoffen wordt in de RIE vaak maar weinig aandacht besteed.

De impact van allergenen

Een van de redenen waarom allergenen buiten beschouwing worden gelaten, is dat er een groot verschil is tussen ‘standaard gevaarlijke stoffen’ en allergenen. Standaard gevaarlijke stoffen hebben een veilige ondergrens, legt longarts dr. Jos Rooijackers uit. “Als de concentratie onder die grens blijft, wordt het gebruik ervan of de blootstelling eraan als veilig beschouwd. Bij allergenen is echter geen veilige ondergrens. Ook bij een hele geringe en hele korte blootstelling kan het longziekten veroorzaken.” Veel werkgevers zijn niet op de hoogte van de risico’s die hun medewerkers lopen. Zij hebben behoefte aan informatie hoe om te gaan met die stoffen. In 2012 is de Leidraad Inhaleerbare Allergenen ontwikkeld, welke kan worden opgevraagd bij het Nederlands Kenniscentrum Arbeid en Longaandoeningen. Aan deze leidraad hebben wetenschappers van een groot aantal organisaties meegewerkt.

Preventieve maatregelen tegen bakkersastma

Er is een groot aantal sectoren waar arbeidsgerelateerde longziekten voorkomen. Tot nu toe hebben alleen de bakkerijbranche en de bouw vergaande preventieve maatregelen genomen. Binnen de bakkerijbranche zijn bijvoorbeeld veel technische innovaties doorgevoerd om verspreiding van meelstof te voorkomen, en alle medewerkers die met meel in aanraking komen, worden preventief ondervraagd. Bij het vermoeden van beginnende klachten wordt iemand direct naar een gespecialiseerd centrum gestuurd om te onderzoeken of sprake is van ontwikkeling van bakkersastma.

Als die ziekte wordt geconstateerd, en er zijn geen mogelijkheden om blootstelling 100 procent te voorkomen, zijn binnen de branche fondsen voor omscholing. Volgens drs. Emiel Rolink, directeur van de Longalliantie, denken veel werkgevers uit andere sectoren dat deze preventieve aanpak alleen maar heel veel geld kost. “In de praktijk blijkt echter dat het geld oplevert. Mensen worden minder vaak ziek en hun productiviteit is hoger.” Werknemers met een longziekte zijn, zo blijkt uit onderzoek, gemiddeld 40 dagen per jaar niet productief. Longziekten zorgen daarmee voor een totaal verlies aan arbeidsproductiviteit van circa € 1 miljard per jaar. Dat bedrag kan aanzienlijk worden verminderd door maatregelen te nemen zoals die onder meer zijn beschreven in de Leidraad Inhaleerbare Allergenen.

Fundamenteel onderzoek

De totstandkoming van de leidraad en de implementatie van nieuwe kennis over het behandelen van longziekten is alleen mogelijk dankzij wetenschappelijk onderzoek. Tot nu toe werd de inhoud van dat onderzoek vooral bepaald door artsen en wetenschappers. Recent is echter gebleken dat patiënten soms hele andere prioriteiten hebben als het gaat om hun ziekte. “Artsen zijn geneigd zich vooral te richten op meetbare aspecten van de longen”, legt longarts professor dr. Huib Kerstjens uit. “Patiënten kijken vooral naar hoe zij zich voelen en waarin zij beperkt worden door hun ziekte. Dat zijn soms twee heel verschillende dingen.” Die nieuwe inzichten zijn aanleiding voor baanbrekend nieuw onderzoek. Waar praktijkgericht onderzoek zich vooral richt op het oplossen van een probleem, willen onderzoekers met fundamenteel onderzoek hun kennis vergroten door ‘buiten de lijntjes’ te kijken. Het is de hoeksteen van innovatie en de basis van nieuwe therapieën en betere behandelmogelijkheden.

Transmuraal zorgpad COPD

De samenwerking tussen wetenschappers en artsen is ook van belang voor het kunnen ‘lezen’ van onderzoeksresultaten van praktijkgericht onderzoek. Als duovoorzitter van de werkgroep ‘landelijk transmuraal zorgpad COPD-longaanval met ziekenhuisopname’ is Kerstjens medeverantwoordelijk voor de doelstelling om binnen 5 jaar het aantal ziekenhuisopnamedagen van COPD-patiënten met 25 procent te verminderen. Toen de werkgroep ziekenhuizen en huisartsen opriep om mee te doen aan de pilot, gaf een derde aan graag mee te willen werken. Aan het pilotproject werken 11 ziekenhuizen mee. “De artsen leveren de data aan. De wetenschappers weten hoe zij de cijfers moeten interpreteren.”

Gelijkwaardige partners

Kerstjens stelt dat de doelstelling ambitieus maar zeker niet onhaalbaar is. De grootste winst kan volgens hem worden behaald door betere samenwerking en communicatie tussen de verschillende ketenpartijen, dus inclusief patiënten. Nu komt het soms voor dat er ‘gaten’ vallen in de communicatie of spreken zorgverleners elkaar zelfs tegen in contacten met patiënten, die bovendien te weinig betrokken worden. Daarnaast is meer aandacht voor de thuissituatie belangrijk. Regelmatig blijkt dat zich kort voor de opname situaties hebben voorgedaan die hebben geleid tot extra stress.

Vroegherkenning van die situaties en goed besproken manieren om er mee om te gaan, vergroten de zelfredzaamheid en voorkomen opnames. De grootste winst zal waarschijnlijk niet worden behaald door extra of nieuwe medicatie, maar door meer aandacht voor de mens achter de longaandoening. “Het is belangrijk dat artsen de patiënt en diens familie en netwerk zien als gelijkwaardige partner in de zorg. Begrip voor en samenwerking met elkaar vormen de sleutel tot succes”, concludeert Kerstjens.