Kinderen met Downsyndroom hebben vaak een vertraagde taalontwikkeling, zowel in het begrijpen als het uiten van taal. Zeker in de eerste jaren gebruiken ze veel ondersteunende signalen zoals gebaren. Gedragsonderzoeker Stijn Deckers laat zien dat deze gebaren de taalontwikkeling ondersteunen en pleit voor veel meer aandacht voor alternatieve communicatievormen, ook bij andere communicatieve beperkingen. Hij promoveert op 29 juni aan de Radboud Universiteit.

Kinderen met Downsyndroom

Gebaren en andere ondersteunende communicatievormen worden vaak niet meegenomen in onderzoek naar de woordenschatontwikkeling van kinderen met Downsyndroom. Daardoor bestaat er een onvolledig beeld van hun mogelijkheden, stelt Deckers.

‘Tijdens mijn onderzoek, waarin ik ruim veertig kinderen met Downsyndroom volgde, heb ik kinderen ontmoet die tot wel 300 woorden in gebaar gebruikten, maar nog niet of nauwelijks konden spreken.’

Hij concludeert dat de taalontwikkeling van kinderen met Downsyndroom sterk vergelijkbaar is met die van normaal ontwikkelende kinderen, indien er wél rekening wordt gehouden met andere vormen van communiceren. De veelgehoorde opvatting onder logopedisten, ouders en leerkrachten dat gebarenwoordenschat de gesproken woordontwikkeling remt, is dus onterecht. Het is juist belangrijk om zo vroeg mogelijk met ondersteunende communicatievormen zoals gebaren te starten.

Beter afstemmen

Er zijn veel processen van invloed op de taalontwikkeling, bijvoorbeeld aandacht, geheugen, en motorische vaardigheden. Nu werken de logopedist, fysiotherapeut, en/of leerkracht regelmatig langs elkaar heen, ondanks de beste bedoelingen. ‘Ik volgde bijvoorbeeld een meisje met Downsyndroom dat naar een reguliere groep 1 ging.

De leerkracht had speciaal gebarenles genomen en ging met pictogrammen werken, die was dus goed voorbereid. Maar in de klas bleek het meisje helemaal achterin te gaan zitten met haar rug naar de docent toe, omdat ze anders teveel prikkels kreeg en zich niet goed kon concentreren. Ze had dus helemaal niets aan de extra visuele ondersteuning.’

‘Zorgprofessionals moeten onderling beter afstemmen welke vorm van ondersteunde communicatie op welk moment nuttig is. Bovendien moeten zorgverleners in opleiding op die manier leren denken, over de grenzen van hun eigen beroep. We moeten interprofessioneel opleiden en samenwerken.

Daar heeft mijn onderzoek al aan bijgedragen: in totaal hebben zo’n 250 studenten van de Fontys Hogeschool en de Radboud Universiteit meegeholpen met huis- en schoolbezoeken en dataverzameling.’

Niet alleen voor Downsyndroom

De resultaten gelden niet alleen voor mensen met Downsyndroom, maar eigenlijk voor iedereen met communicatieve beperkingen. Denk aan spraak- en taalproblemen door een beroerte, niet-aangeboren hersenletsel, of intensive care-patiënten met een buisje in de luchtpijp.

‘Dat je niet kan praten, betekent niet dat je niet kan communiceren. Verschillende patiëntgroepen zouden baat hebben bij extra aandacht voor ondersteunende communicatievormen.’

‘Ik deed jarenlang vrijwilligerswerk bij stichting Wigwam. Zij bieden kinderen met een meervoudige beperking een-op-een begeleiding tijdens vakanties. In 2009 begeleidde ik een jongen die minimaal communiceerde, hij sprak en gebaarde niet.

“We hebben het idee dat er veel meer in hem zit, maar het komt er gewoon niet uit”, zeiden z’n ouders. Tijdens de vakantie zongen we iedere ochtend een goedemorgen-liedje, waarin het gebaar voor goedemorgen wel honderd keer terugkwam.

Na drie dagen gebaarde hij goedemorgen naar mij! Toen ik het terug gebaarde, lachte hij. Zijn ouders stonden versteld, het was echt een doorbraak. Daarna hebben we extra op gebaren gefocust. Aan het einde van de vakantie kon hij vijftien gebaren. Dat was het moment dat ik inzag wat je met ondersteunde communicatie kan bereiken. Op dat moment wist ik zeker dat ik hiermee verder wilde.’

Bron: Radboud Universiteit