Een slecht zittend kunstgebit, ontbrekende tanden of kiezen of een aangeboren afwijking waardoor tanden of kiezen niet aangelegd zijn, kunnen voor veel ongemak zorgen. Niet alleen op praktisch gebied, maar ook op sociaal vlak kunnen gebitsproblemen het zelfvertrouwen en geluksgevoel flink aantasten. Implantaten kunnen in dit geval voor verlichting zorgen. Dankzij de ontwikkelingen van de laatste decennia is efficiënt maatwerk tegenwoordig de standaard en bieden implantaten voor steeds meer mensen uitkomst.

De Maya’s deden het al. Met schelpjes weliswaar, en dus op een zeer primitieve manier. Opgravingen van schedels van zo’n 800 jaar na Christus tonen aan dat in dit tijdperk waarschijnlijk de eerste stappen werden gezet op het gebied van implantologie. Bij verlies van tanden of kiezen werden op de lege plek in het bot van de kaak schelpjes ingetikt.“Eerst dacht men dat dit een religieus ritueel was na een sterfgeval”, vertelt David Rijkens, secretaris bij de Nederlandse Vereniging voor Orale Implantologie (NVOI) en zelf tandartsimplantoloog.

“Maar toen werd ontdekt dat deze schelpjes met het bot waren vergroeid, toonde dat aan dat ze er ingezet moesten zijn terwijl de persoon nog leefde.” Dit verschijnsel, waarbij een tandheelkundig implantaat wordt opgenomen in het bot, zou vele eeuwen later onder de term osseointegratie’ een revolutie ontketenen.

Het was de Zweedse orthopeed Per-Ingvar Brånemark die het proces begin jaren ’50 van de twintigste eeuw voor het eerst echt benoemde. In een experiment waarbij hij titanium schroeven in het bot van konijnen bevestigde, ontdekte hij per toeval dat lichaamsvreemd materiaal vastgroeide in het bot. Hij noemde dit osseointegratie.

Alternatief voor bruggen

Osseointegratie vormt tot op de dag van vandaag de basis van de tandheelkundige implantologie. Bij verlies van een tand of kies wordt, wanneer de keuze wordt gemaakt om een implantaat te plaatsen, een gaatje geboord in het bot van de kaak, legt Rijkens uit. Dit gebeurt met verschillende kleine boortjes. Vervolgens wordt het implantaat, een wortelvormige schroef, gemaakt van titanium, in de kaak geplaatst om zich daar te hechten aan het bot. Wanneer het implantaat is vastgegroeid in het bot, na minstens zes tot acht weken, kan worden overgegaan tot de plaatsing van de kroon op het implantaat. In bepaalde gevallen kan deze zelfs al direct na het plaatsen van het implantaat worden bevestigd.

Wanneer op de te behandelen plaats in de kaak zelf te weinig bot aanwezig is, bestaat de mogelijkheid om een kleine hoeveelheid bot te transplanteren vanuit een andere plek in de kaak of elders uit het lichaam. Ook kan in veel gevallen het gebruik van een botsubsituut-materiaal uitkomst bieden. Het patiëntgemak is er door de ontwikkelingen in de implantologie de afgelopen jaren steeds meer op vooruitgegaan, vertelt Rijkens. “Vroeger, als je een tand of kies verloor, werd er al vrij snel gekozen voor het maken voor een brug. Deze behandeling gaat vaak gepaard met het beschadigen van gezonde tanden of kiezen. Dat is bij implanteren niet nodig.”

Sociaal ongemak

Tandarts-implantoloog Frank Andriessen, eveneens actief binnen de NVOI, benadrukt ook het belang van de implantologie voor mensen met een slecht zittend kunstgebit. “Wanneer je ouder wordt en een kunstgebit draagt, bestaat de kans dat je kaken slinken, waardoor een kunstgebit losser kan komen te zitten. Ook een droge mond door bijvoorbeeld medicijngebruik kan voor veel ongemak zorgen bij mensen met een kunstgebit.” Bij een tandeloze mond kan in dit geval ook worden gekozen voor implantaten. In de onderkaak worden dan meestal twee implantaten geplaatst waar het kunstgebit als het ware op vastgeklikt kan worden.

Een methode die volgens Andriessen en Rijkens veel meer resultaat heeft dan alleen het brengen van meer comfort. Wat men zich vaak niet direct realiseert, is dat een goed functionerend gebit, of het nou om een kunstgebit gaat of niet, van enorm belang is voor het geluksgevoel, menen de twee tandarts-implantologen. “Praten, eten, lachen, de sociale aspecten van het dagelijks leven: mensen voelen zich er vaak onprettig bij wanneer er problemen zijn met het gebit.”

Ontwikkelingen

De opkomst van de implantologie heeft ook aanzienlijke gevolgen voor de ontwikkeling van de technieken die gebruikt worden. Dit beaamt professor Daniel Wismeijer, hoogleraar Orale Implantologie en Prothetische Tandheelkunde aan de Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA). Wismeijer doet onderzoek naar de digitalisering van implantologie en was de eerste ter wereld die een 3D-geprinte kroon op een tandwortelvormig implantaat plaatste. Op dit moment zijn er twee opties voor het creëren van een nieuwe tand of kies: het frezen uit een stukje zirkonia, of het 3D-printen.

“Het grote voordeel van 3D-technologie voor zowel de behandelaar als de patiënt is dat de behandeling veel voorspelbaarder wordt”, stelt Wismeijer. “Bovendien is deze methode veel materiaalzuiniger. Bij het frezen wordt zirkonia weggeslepen totdat de juiste vorm ontstaat. Het weggeslepen materiaal gaat daarbij verloren. Bij de 3D-printtechniek bouw je het materiaal juist laag voor laag op.

Hierbij gaat dus niets verloren.” Wismeijer werkt op dit moment aan een onderzoek waarbij niet alleen de gebitselementen, maar ook botvervangers kunnen worden vervaardigd met 3D-printtechnologie. “Wij kunnen een synthetisch bot maken van calciumfosfaat met de voor het lichaam van de patiënt juiste proteïne. Dit materiaal wordt volledig geaccepteerd door het eigen bot en vormt daarmee na verloop van tijd één geheel.” Naar verwachting zal deze techniek binnen vijf jaar op de markt worden gebracht.

Kwaliteitsnormen bewaakt

Nu het experimentele er dus inmiddels wel vanaf is, kan volgens Rijkens en Andriessen gesteld worden dat de implantologie een betrouwbare en niet meer uit de tandheelkunde weg te denken behandelmogelijkheid is. Samen geven de twee heren regelmatig cursussen aan tandartsen die zich willen verdiepen in deze beroepstak.
“In de basisopleiding tot tandarts doe je te weinig ervaring op om direct na afstuderen verantwoord te kunnen gaan implanteren. Volgens de wet BIG geldt het ‘bekwaam maakt pas bevoegd’-principe. Je zult dus bij- en na moeten scholen als je als tandarts met implantologie aan de slag wil’’, verduidelijkt Andriessen.

De kwaliteitsnormen van de NVOIerkende implantologen, oftewel implantologen die feitelijk alle indicaties moeten kunnen behandelen, worden bewaakt door een speciale commissie binnen de NVOI, het zogeheten Consilium. “Het succespercentage van implantaten ligt inmiddels ruim boven de 90 procent”, besluit Rijkens. “Bovendien
zijn de huidige technieken steeds minder ingrijpend voor de patiënt. Wij horen veel patiënten na afloop zelfs zeggen dat het trekken van de tand of kies uiteindelijk een vervelendere ervaring bleek dan het plaatsen van het implantaat.”