Kinderen met een lichte beperking en/of moeizaam gedrag komen in de thuissituatie niet zelden in de problemen. De spanning kan thuis zó hoog oplopen, dat een uithuisplaatsing of ondertoezichtstelling dreigt. Het is een trend om samen te werken met het sociaal netwerk van gezinnen voor herstel van de situatie, vaak is dat in de vorm van een zogenoemd familienetwerkberaad.

Voorheen nam een jeugdhulpverlener het voortouw in het opstellen van een plan om de opvoedingsproblemen in een gezin aan te pakken. In het model van een familienetwerkberaad wordt die verantwoordelijkheid neergelegd bij het gezin zélf. Sinds 1 januari 2015 is in de Jeugdwet vastgelegd dat een jeugdhulpverlener ouders als eerste de mogelijkheid moet bieden om binnen een redelijke termijn een dergelijk familiegroepsplan op te stellen.

Familienetwerkberaden kunnen contraproductief zijn

Prof. dr. Geert Jan Stams is hoogleraar forensische orthopedagogiek aan de Universiteit van Amsterdam. Hij vindt het belangrijk dat er manieren worden ontwikkeld om samen te werken met sociale netwerken bij deze problematiek en hiermee cliëntparticipatie serieus te nemen. Dat kan een familienetwerkberaad zijn en in sommige situaties kan dat goed werken, maar zeker niet als standaardoplossing. Om per wet een methode voor te schrijven, gaat hem te ver.

Met een team heeft hij onderzoek gedaan naar de effectiviteit van deze familienetwerkberaden. “Zoals het er nu uitziet is er in algemene zin niet veel bewijs voor de werkzaamheid van familienetwerkberaden. Samenwerken met sociale netwerken is een manier, die mits goed uitgevoerd, zou kunnen werken. Maar het kan ook niet-effectief of zelfs contraproductief zijn.”

Mentor als intermediair

Meer vertrouwen heeft Stams in het inzetten van een een-op-een mentor, die door de ouder of het kind met de problemen zelf wordt benaderd en werkt als een intermediair tussen de cliënt, zijn of haar sociale netwerk en de hulpverlening. Deze methode is minder complex dan een familienetwerkberaad en stelt de cliënt centraal. Het kan zorgen voor meer continuïteit in de hulpverlening en meer gezinsveerkracht. Maar ook voor deze methodiek geldt dat meer en grootschalig onderzoek nodig is. “Anders gaat het meer om geloof in werkzaamheid dan om feitelijke werkzaamheid.”

Gezinsveerkracht

Gezinsveerkracht is nader onderzocht door onder meer Walsh (2002) en Sixbey (2005). Het wil zeggen dat een gezin problemen kan normaliseren en in de juiste context zetten. Gezinsveerkracht helpt individuen en gezinnen te kijken naar hun vaardigheden om zelf problemen op te lossen. Juist door met een gekozen mentor te werken, is de verwachting dat de gezinsveerkracht toeneemt en daarmee de mogelijkheid van een gezin om te herstellen en leren van tegenslag. De genoemde onderzoekers onderscheiden meerdere dimensies aan gezinsveerkracht, zoals gezinscommunicatie en verbondenheid, oplossend vermogen, het benutten van sociale en economische hulpbronnen, het behoud van perspectief, en de mogelijkheid om betekenis te geven aan tegenslag.

Maar, zoals gezegd, dringt Stams aan op meer onderzoek. Wat verder verbeterd kan worden is de responsiviteit van de betrokken hulpverlener. “Te vaak nog komt die met een voorgebakken idee, terwijl samen met de cliënt aan (zelfgekozen) oplossingen werken meestal veel beter werkt.”