Om jongeren de kans te bieden hun talenten optimaal te ontwikkelen, is het van belang goed te begrijpen hoe het tienerbrein werkt en hierop in te spelen in het onderwijs. In tegenstelling tot wat veel volwassenen denken, rijpen de hersenen van jongeren door tot ver na het twintigste jaar.

Volwassenen moeten dan ook leren tieners te beschouwen als werk in uitvoering. “Ze zijn in ontwikkeling tot vlinder, maar zijn vooralsnog te beschouwen als rups”, licht Jelle Jolles toe, hoogleraar Neuropsychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam en auteur van een boek over het tienerbrein. Hij benadrukt dat een juist begrip van tieners en hun brein essentieel is om leerlingen tot grotere leermotivatie en betere prestaties te kunnen brengen.

Context shapes the brain

Een van de grootste misvattingen over het tienerbrein is dat leerprestaties, gedrag en cognitief functioneren alleen worden bepaald door de erfelijkheid. De omgeving is minstens zo belangrijk, legt Jolles uit. De genen bepalen alleen de randvoorwaarden waarbinnen een persoon zich kan ontwikkelen. Het is de omgeving die bepaalt hoe de hersenen rijpen en in welke richting de persoon zich ontplooit: context shapes the brain.

Het brein en de omgeving zijn dus beide even belangrijk, maar op een andere manier. Dit impliceert dat wat iemand kan bereiken niet grotendeels bij de geboorte vastligt, maar mede wordt bepaald door het pad dat iemand gedurende zijn of haar leven aflegt. Het aanbieden van voldoende oefening, ervaring en zintuiglijke prikkels kunnen ervoor zorgen dat iemands talenten volledig tot ontwikkeling komen.

Hierbij spelen zowel ouders als leraren een cruciale rol. Zij stellen tieners in staat zichzelf te ontplooien door het geven van steun, sturing en inspiratie, en door het wijzen van routes en het verstrekken van kennis. Waarschijnlijk is het zelfs zo, stelt Jolles, dat de genetische mogelijkheden van mensen veel dichter bij elkaar liggen dan nu wordt aangenomen. Sommige kinderen groeien echter op in een schrale omgeving met weinig cognitieve, emotionele en sociale prikkels voor de hersenen.

Daardoor kan hun brein zich minder goed ontwikkelen dan dat van hun leeftijdsgenoten die die stimulansen wél meekrijgen van hun gezin en sociale omgeving. “Eigenlijk is dit een positief gegeven, want deze kennis biedt handvatten om steunend, inspirerend en sturend met de jeugd bezig te zijn. Vooral met jongeren die minder kansen hebben gekregen”, zegt Jolles.

Leren als levenslang bouwproces

Het leerproces van een kind kan worden vergeleken met het bouwen van een huis, stelt Renate de Groot, hoogleraar Biopsychologie van het leren aan de Open Universiteit. “Ons leerproces en de daarmee gepaard gaande ontwikkeling wordt bepaald door een interactie tussen genen en omgevingsfactoren.” Ze werkt door op een door Jolles geïntroduceerde metafoor.

Daarin worden de genen vergeleken met de bouwtekening van een huis, en de omgevingsfactoren met de inspanningen van de aannemer die het uiteindelijke huis bouwt. Net zoals een bouwtekening kan worden aangepast door een aannemer, kan ook het leerproces van een kind worden beïnvloed door omgevingsfactoren. Leren is dus een levenslang bouwproces, benadrukt De Groot. Elke persoon heeft een eigen biologie en psychologie, waarmee hij of zij geboren wordt. Samen vormen zij de lerende mens.

Naast dit persoonlijk leervermogen is iemands leerproces ook sterk afhankelijk van context en condities. De context is de (leer)omgeving waarin het leren plaatsvindt, zoals een school, museum of werkplek. De condities zijn variabelen die de biopsychologie van de lerende beïnvloeden. Die condities kunnen negatief zijn – denk aan stress, vermoeidheid of ziekte – maar ook positief, zoals zelfverzekerdheid, motivatie of beweging.

“Genetica, context en condities vormen de voorwaarden voor leren en zouden gezamenlijk moeten kunnen leiden tot het optimale leerproces”, legt De Groot uit. Dit geheel moet volgens haar dynamisch worden bekeken. In de eerste plaats maakt de individuele lerende mens zelf natuurlijk een ontwikkeling door tijdens het opgroeien. In de tweede plaats wordt de ontwikkeling ook beïnvloed door de context en de condities, die zelf ook weer aan verandering onderhevig zijn.

De mensen om iemand heen en samenleving veranderen immers ook. Volgens De Groot worden de context waarin en de condities waaronder leren plaatsvindt steeds belangrijker in de snel veranderende maatschappij. Daarnaast is levenslang leren van toenemend belang. Om deze reden is het essentieel het juiste leerklimaat te scheppen. “Om dit te bewerkstelligen zal een duidelijke communicatie op gang moeten komen tussen de onderwijspraktijk en wetenschap, zodat kennis die we hebben over leren nog beter wordt toegepast in de praktijk.”

Structuur en begeleiding

Onderzoek naar leerprocessen blijft uiteraard nodig, maar er is ook al veel kennis beschikbaar die direct toepasbaar is. Zo is bekend dat jongeren begeleiding en structuur van volwassenen nodig hebben om ervoor te zorgen dat het tienerbrein zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen, vertelt Jolles.

Tieners weten volgens hem nog niet voldoende om zelfstandig hun leven en leren te kunnen plannen. Hij ziet echter dat jongeren in de huidige maatschappij juist meer hun eigen gang mogen gaan en minder feedback op hun gedrag ontvangen. “Het idee is dat dit bij onze samenleving hoort. Ik vind echter dat we als volwassenen de verantwoordelijkheid moeten nemen om tieners langer echte support en sturing te geven.”

De Groot sluit zich hierbij aan. De laatste jaren wordt veel gesproken over het vergroten van de autonomie van leerlingen. Maar om autonomie in het onderwijs te kunnen bieden, is structuur een voorwaarde, vindt zij. “Voor basisschoolleerlingen en middelbare scholieren geldt dat ze nog volop in ontwikkeling zijn en dat het brein er nog niet klaar voor is om alles via zelfregulatie te doen.”

De begeleiding zou in de ideale situatie zowel thuis als op school geboden moeten worden. Ouders kunnen een stimulerende leeromgeving creëren door hun kinderen voor te lezen, met ze te praten en voor veel interactie te zorgen. Daarnaast is het goed als ouders en leraren de natuurlijke nieuwsgierigheid van kinderen prikkelen en hen veel ervaringen en vaardigheden op te laten doen, zodat de ontwikkeling van het hele brein gestimuleerd wordt. Hierdoor hebben jongvolwassenen veel gebruikskennis tot hun beschikking op het moment dat ze voor grote levenskeuzen komen te staan.

Individuele leertrajecten

Om uiteenlopende redenen krijgen niet alle kinderen vanuit huis voldoende stimulans mee om optimaal tot ontplooiing te kunnen komen. Bij kinderen die een relatief schrale ontwikkeling hebben gehad, met weinig intellectuele sturing, spelletjes, speelgoed en leesmateriaal, worden ervaring en kennis wat trager gevormd.

Dit leidt weer tot minder gerichte en minder snelle opname van nieuwe prikkels. Hierdoor presteren niet alle kinderen zo goed als ze op basis van hun genetische aanleg zouden kunnen. Jolles ziet een rol weggelegd voor het onderwijs om kinderen die opgroeien in een dergelijke omgeving op school alsnog de ervaringen te laten opdoen die ze thuis gemist hebben. Hierbij gaat het om kernfuncties als zelfinzicht en zelfregulatie, maar ook om het aanwakkeren van interesse in de wereld, nieuwsgierigheid en een ondernemende attitude.

Ook de vaardigheid in het plannen en prioriteren is van belang, zegt Jolles. “Op deze manier toon je leerlingen dat er mogelijkheden zijn om zichzelf verder te ontwikkelen. Dat verhoogt hun leermotivatie.” Het feit dat niet elk kind dezelfde achtergrond heeft en dus niet op hetzelfde niveau presteert, betekent volgens Jolles dat het onderwijs meer op maat zou moeten worden toegesneden om in te spelen op de behoeften van individuele leerlingen.

In het huidige onderwijssysteem krijgt iedereen veelal dezelfde leerstof aangeboden, waardoor het niveau voor sommige leerlingen te gemakkelijk en voor anderen te moeilijk is. Hij pleit dan ook voor het aanbieden van individuele leertrajecten. “Dat hoeven uiteraard niet dertig individuele trajecten te zijn, maar wel meer dan de drie die nu gangbaar zijn.”

Hoe werkt het tienerbrein?

Onderzoekend leren

Een manier van lesgeven die de laatste tijd steeds meer in de belangstelling staat, is onderzoekend leren. Zaken als het stimuleren van nieuwsgierigheid, interesse in de wereld en een ondernemende attitude staan hierbij centraal – precies waar leerlingen volgens Jolles behoefte aan hebben. De methode leert kinderen op een onderzoekende manier na te denken, zelf vragen te stellen en een explorerende houding aan te nemen.

De vraag naar kennis komt dus uit leerlingen zelf en wordt niet voorgeschreven door de leerkracht – in die zin verschilt de methode van de visie van Jolles en De Groot. “Er is meer ruimte voor eigen vragen van leerlingen. Het is goed als de leraar de sturing minder zelf in de hand houdt en meer aan de leerlingen overlaat”, stelt Marjolein Dobber, onderzoeker op het gebied van ontwikkelingsgericht onderwijs en werkzaam bij de Vrije Universiteit Amsterdam als docent Onderwijspedagogiek.

Door vragen en problemen die spelen bij kinderen als vertrekpunt te nemen, wordt hun leefwereld verbonden met dat wat de maatschappij ze vanuit cultureel oogpunt graag zou aanleren. Uit studies is gebleken dat onderzoekend leren veel kan opleveren, onder andere op het gebied van motivatie, betrokkenheid en welbevinden. Kinderen voelen zich meer op hun plek in de klas, omdat ze iets doen wat ze zelf interessant vinden.

Daarnaast zijn ze op diepere manier met de stof bezig, waardoor de kennis beter beklijft. Het zou dan ook mooi zijn als onderzoekend leren in alle lagen van het onderwijs zou kunnen worden doorgevoerd, betoogt Dobber. “Dit betekent niet dat alles op een onderzoekende manier hoeft te gebeuren, maar het zou wel goed zijn als onderzoekend leren als een startpunt zou kunnen dienen voor onderwijs.”

Van teaching naar learning

In studies wordt momenteel de meerwaarde van onderzoekend leren voor het onderwijs verder onderzocht. Jolles benadrukt het belang van meer onderzoek naar leerprocessen. Een tak van wetenschap die volgens hem veel relevante kennis op kan leveren, is de educational neuropsychology.

Deze discipline richt zich op motivatie, cognitief presteren en gedrag en beleven; allemaal zaken waar leerlingen op school mee te maken hebben. Omdat de educational neuropsychology vooral een toegepaste wetenschap is, heeft hij bovendien veel relevantie voor de praktijk. Daarnaast bestuderen neuropsychologen de individuele verschillen tussen mensen. In een tijd waarin steeds meer gesproken wordt over het aanbieden van individuele leertrajecten kan het onderwijs hier veel baat bij hebben.

Jolles ziet een rol voor de educational neuropsychology bij het ontwerpen van nieuwe leertrajecten die jongeren uitdagen met boeiende stof, maar waarin ook ruimte blijft voor de kennis die wordt overgebracht in het klassieke onderwijs. Hij pleit voor een onderwijsinnovatie waarin een verschuiving plaatsvindt van ‘teaching’ naar ‘learning’ en jongeren worden ondersteund in hun ontplooiing en persoonlijke groei.

“Bij teaching gaat het over lesstof, bij learning gaat het over verandering teweegbrengen bij kinderen”, legt hij uit. Het gaat erom dat leerlingen niet alleen kennis opdoen, maar ook dat hun interesse en motivatie worden gestimuleerd en dat ze de juiste voorbeelden krijgen.

Actieve rol van leraren

Veel leraren willen graag aan de slag met nieuwe methoden om leerlingen zo goed mogelijk te bedienen, weet Dobber, maar in de praktijk is dat niet altijd eenvoudig. Zij merkt dat het bij onderzoekend leren voor veel docenten lastig is om de werkwijze op een goede manier te implementeren. “Zo werkt het onderwijs met vaste methoden, die leraren ervan verzekeren dat ze alle lesstof gedekt hebben. Bij onderzoekend leren wordt het startpunt juist gevormd door de vraag van de kinderen.”

Aansluitend daarop wordt vervolgens het onderwijs ingericht. Er wordt dus een actievere houding van leraren verwacht en een groter beroep gedaan op hun creativiteit, omdat ze zelf lesmateriaal ontwerpen en de kinderen daarin ook een rol geven. Het kost dus tijd om veranderingen in de klas op een goede manier door te voeren, benadrukt Dobber. Toch is ze positief.

“Leerkrachten die onderzoekend leren al hebben ingevoerd in de klas, geven aan dat het veel oplevert in termen van betrokkenheid bij leerlingen.” Uiteindelijk is dat, in de woorden van Jolles, waar het onderwijs naar streeft: zorgen dat leerlingen de juiste steun, sturing en inspiratie ontvangen, zodat ze zich kunnen ontpoppen van rups tot vlinder.