Veranderingen in de GGZ zijn snel en groot doorgevoerd. Maar wat vinden huisartsen er eigenlijk van?

Op 1 januari 2014 veranderde de GGZ van de vanouds bekende eerste- en tweedelijns zorg naar de huisartsen ggz, generalistische basis ggz en specialistische ggz. Voor de huisartsen in Nederland betekent de invoering dat zij nog meer poortwachter zijn voor de GGZ. Voorheen kwamen veel mensen met relatief milde en enkelvoudige klachten in de tweedelijns zorg terecht, die voor hen in feite te duur was. Door die opvang te verplaatsen naar de wijk, moet de GGZ uiteindelijk goedkoper worden. Maar de snelle manier waarop de transitie plaatsvindt baart huisartsen zorgen. Geert-Jan van Loenen is huisarts te Hengelo en bij de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV) als bestuurder onder meer belast met GGZ-ontwikkelingen. “Heel veel, heel snel en heel star”, karakteriseert hij de ontwikkelingen.

Preventie onder druk

“Er worden hogere eisen gesteld aan het verwijzen naar een eerstelijns psycholoog. Categorieën mensen die wij gewend waren te verwijzen om erger te voorkomen, kun je nu nog wel verwijzen, maar die hulp wordt niet meer vergoed. Het is de bedoeling dat veel van deze mensen geholpen worden in de huisartsenpraktijk. Door de huisarts, die ondersteund kan worden door een praktijkondersteuner GGZ. Maar dat is niet in alle gevallen de juiste oplossing, waardoor het preventieve element ernstig onder druk staat. Veel GGZ-problematiek die wij zien, betreft bovendien wat we aanpassingsstoornissen noemen: werkgerelateerde problemen, relatieproblematiek, rouwverwerking. Nog steeds kan negentig procent van deze problemen heel goed in de huisartsenpraktijk worden behandeld. Het probleem zit bij de tien procent, die we niet meer vergoed kunnen verwijzen, terwijl dit hard nodig is.” Van Loenen waarschuwt daarbij voor het gevaar van ‘upcoding’, een zwaardere diagnose stellen dan realiteit is, maar waarvoor wél een vergoeding geldt. “Ik verwacht dat niet van de beroepsgroep, maar de druk van patiënten om betaald geholpen te worden en niet op eigen kosten, kan wel degelijk toenemen.”

Alles op de schop

Drie maanden na invoering van het nieuwe systeem moet Van Loenen constateren dat de verwachte problemen bewaarheid worden. “De huisarts krijgt een enorme hoeveelheid informatie van allerlei GGZ-instellingen over hoe hij geacht wordt te verwijzen. De strijd om te overleven is losgebrand, dat is immers inherent aan marktwerking. Maar voor een huisarts die gewend was aan een bepaald netwerk en sociale kaart, staat alles op de schop. Tweedelijns GGZ-instellingen breiden hun activiteiten uit naar de generalistische basis GGZ. En dat gaat vaak weer ten koste van zelfstandig gevestigde psychologen.” Ook geldt dat GGZ-instellingen pas betaald krijgen na afsluiting van de behandeling, waardoor het voor kan komen dat een behandeling sneller wordt afgesloten dan wenselijk voor de patiënt. Het gevaar van ‘undercoding’ dus. Voor huisartsen is het belangrijk dat een goede verwijsmogelijkheid blijft bestaan. “Heel belangrijk is ook de mogelijkheid om zonder wachtlijsten te kunnen opschalen en korte lijnen te hanteren in de communicatie tussen huisarts en behandelaar. Hier is nog winst te behalen. Het is een indrukwekkende transitie die snel is ingevoerd. Dat vraagt een nieuwe positionering van allerlei partijen en daarmee een grote mate van flexibiliteit. Ik zie zeker mogelijkheden om dit goed te laten werken, maar dat vraagt wel tijd en het scheppen van de juiste randvoorwaarden. We hebben nauwelijks kunnen oefenen.”

Uitgelicht:
• Met de inzet van de praktijkondersteuner GGZ (POH-GGZ) zijn in korte tijd mooie dingen ontstaan. Maar: “De uitbreiding in formatie die huisartsenpraktijken nodig hebben, omdat nu eenmaal meer patiënten met psychische klachten naar de huisarts komen, daar worden door zorgverzekeraars extra voorwaarden aan gesteld. Extra uren die je kunt krijgen, mag je niet in extra menskracht stoppen, maar in uitbreiding van e-health toepassingen of de consultatiefunctie van een psychiater. Liever zou ik zien dat de huisarts en zijn of haar team het vertrouwen krijgen om het voor de eigen patiëntenpopulatie op de beste manier te regelen.”

• Zo’n 50% van de huisartsen in Nederland maakt gebruik van een POH-GGZ in de praktijk. De overheid streeft naar een POH in alle huisartspraktijken.

• Dr. Van Loenen ervaart dat de druk op de drie POH’s in zijn praktijk (met zes huisartsen) in de eerste drie maanden van dit jaar al behoorlijk is opgelopen en heeft geleid tot wachtlijsten. “Mensen met een aanpassingsstoornis worden bijvoorbeeld niet alleen door onze POH’s gediagnosticeerd, maar ook behandeld. Maar er blijven mensen over die naar de GGZ verwezen moeten worden, en het is essentieel dat die mogelijkheden er zijn.”