Alle kinderen verdienen een goede start en de juiste zorg en aandacht. Toch is kinderopvang nog niet toegankelijk voor ieder kind en gaat er ‘onderweg’ nog altijd informatie verloren over de pedagogische ontwikkellijn. Meer en betere samenwerking tussen kinderdagverblijf, peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang en basisschool én samenwerking met organisaties in sport, cultuur en zorg, kan bijdragen aan het welzijn van kinderen.

Opvang op jonge leeftijd is goed voor kinderen, zegt Ruben Fukkink, bijzonder hoogleraar kinderopvang aan de Universiteit van Amsterdam. Door met leeftijdsgenootjes op te trekken worden ze socialer en leren ze hoe ze moeten samenwerken. Het is een goede voorbereiding op de basisschool. Kinderen die weinig ervaring opdoen met vriendschappen sluiten, delen, spelen met anderen en de omgang met volwassenen, lopen sociaal-emotioneel een achterstand op.

Ontwikkeling van kinderen

“Je zou denken dat kinderen thuis leren van de omgang met hun moeder, broertje of zusje, maar dat is vertrouwd voor hen, terwijl ze voor de ontwikkeling juist handig moeten worden in het contact maken met ‘vreemden’ van dezelfde leeftijd.” Op latere leeftijd verdwijnt die achterstand meestal, maar het kan van invloed zijn op de basisschooltijd. Juist dan worden de verschillen goed zichtbaar: het ene kind maakt makkelijk contact, terwijl een ander daar te weinig zelfvertrouwen voor heeft.

“Dat kan gevolgen hebben voor hun hele basisschoolloopbaan.” Ondertussen is het aantal kinderen dat naar de kinderopvang gaat, gestegen. Het gaat om een toename van twaalfduizend kinderen. Dit blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Toch zijn er zo’n veertigduizend peuters die niet naar speelzaal of opvang gaan.

“In Nederland heerst nog altijd een zekere moederschapscultuur”, aldus de hoogleraar. Vader is aan het werk, moeder zit vaker thuis met het kind. De zorg voor het kind mag niet uitbesteed worden. “Als je niet zelf voor je kind kunt zorgen, dan had je er niet aan moeten beginnen, voor de binding tussen ouder en kind is het beter het kind thuis te houden: allemaal achterhaalde gedachten.” Ondertussen is bekend dat een kind dat naar de opvang gaat, zich thuis prima kan hechten.

Stabiliteit

Over de keuze van een kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang zegt Fukkink dat ouders zich vaak niet realiseren waar ze op moeten letten. Het blijft meestal bij aardige medewerkers, een leuke inrichting, een goede sfeer. Natuurlijk is dat belangrijk, maar er is meer, zoals in het inspectierapport te lezen is. Zijn er horizontale of verticale groepen?

Waarin onderscheidt de opvang zich? Hoe gaan ze om met temperamentvolle kinderen? Ouders moeten ook informeren naar het opleidingsniveau van de medewerkers, of zij geschoold en bijgeschoold worden. Wanneer de stap naar de opvang gezet is, dan dient de ouder er rekening mee te houden dat ieder kind een periode van gewenning heeft (van een paar weken tot een paar maanden). “Hou de vinger aan de pols en kijk of het kind zich thuis gaat voelen.” Eén dag per week naar de kinderopvang is geen goede frequentie, meer dagen per week is volgens Fukkink beter.

Daarmee vormen zich stabiele groepen en kinderen kunnen zich dan beter hechten aan de pedagogisch medewerkers. Belangrijk voor een kind is stabiliteit, stelt Fukkink. De aloude drie R’s: rust, reinheid en regelmaat. Dat laatste betekent dat ouders een kind niet de ene dag bij opa en oma afzetten, de andere dag bij tante, de derde dag bij de opvang en de andere twee dagen weer elders.

Beter is het om twee of drie dagen voor dezelfde kinderopvang te kiezen. Dat kan een kinderdagverblijf zijn, maar ook een gastouder of een opa en oma. “Een kind kan dan wennen, vriendjes maken op de plek waar het vaak is en vertrouwd raken met degene die daar voor hem zorgt.”

Gedeelde pedagogische visie

Jeannette Doornenbal, lector Integraal Jeugdbeleid – Opvoeding, Onderwijs en Opvang aan de Hanzehogeschool Groningen, is gespecialiseerd in samenwerkingsvraagstukken in onderwijs, kinderopvang en zorg. Een actueel voorbeeld van zo’n vraagstuk is de vorming van integrale kindcentra (IKC).

“Het allerbelangrijkste bij het opzetten van een IKC is dat je in gezamenlijkheid kinderen wilt ondersteunen bij hun ontwikkeling, bij het vinden van hun plek in de wereld.” In een IKC vervagen de grenzen tussen onderwijs en opvang, tussen spelen en leren; de taken van de leraar en die van de pedagogisch medewerker.

Ouders en kinderen hebben te maken met één missie en visie, één organisatie, één regie, één team. “Er werken op zijn minst twee verschillende typen organisaties samen, die aanvankelijk soms verschillende opvattingen hebben over leren, ontwikkelen en de pedagogische aanpak”, zegt Doornenbal. Alles staat of valt met het formuleren en in beeld houden van een gedeelde pedagogische visie en heldere doelen die passen bij de specifieke, lokale situatie.

Het is van belang de competenties van de verschillende teamleden te benoemen en een taak- en rolverdeling te maken. Het IKC dient de taken en verantwoordelijkheden te inventariseren en daar de medewerkers bij zoeken die daar qua houding, motivatie, vaardigheden en kennis het beste bij passen. “Je wilt dat elk kind, ongeacht herkomst, mogelijkheden en beperkingen, mee kan doen. Daarvoor heb je elkaar nodig: leraren en pedagogisch medewerkers moeten het samen doen.”

Proeftuinen

Omgaan met diversiteit vraagt ook om vaardigheden op het gebied van zorg; toegevoegde expertise die de leraren en pedagogisch medewerkers niet voldoende hebben. “Je merkt dat het voor kinderen en professionals van belang is dat die zorg – zeker met passend onderwijs – dichtbij wordt georganiseerd”, zegt Doornenbal.

Zij is voorzitter van het wetenschapsteam van Pedagogisch PACT, dat investeert in de pedagogische omgeving van jonge kinderen door de kwaliteit van de pedagogische professionals van de toekomst te versterken. In opdracht van het Kinderopvangfonds creëerde de organisatie proeftuinen, waarin kinderopvang, basisonderwijs en zorg samenwerken aan een inclusieve speelleeromgeving voor jonge kinderen (0-6 jaar). `

“In de proeftuinen zie je dat de inzet van zorg steeds meer gericht is op normaliseren en inclusie: de nadruk verschuift van curatief naar preventief en het versterken van het pedagogisch klimaat.” De inzet van zorg op de werkvloer versterkt pedagogisch medewerkers en leerkrachten in hun denken en handelen, stelt Doornenbal.

Zij voelen zich beter toegerust in het omgaan met verschillen tussen kinderen en voelen zich, net als ouders, gesteund. “Je bent er eerder bij en doorverwijzen zal minder nodig zijn. Zwaardere problemen kun je voorkomen als je adequate ondersteuning biedt aan bijvoorbeeld leerkrachten, door gesprekken met ouders of door extra begeleiding aan het kind te geven.”

Synergie

Het includeren van kinderen die van elkaar verschillen is niet altijd een gemakkelijke opgave. Daarom moeten professionals op de werkvloer worden ontzorgd en versterkt. Niet door (gedrag)expertise binnen te halen nadat er een probleem is gesignaleerd, maar door van meet af aan expertise in de teams te brengen, gericht op het professionaliseren van leerkrachten en pedagogisch medewerkers in omgaan met diversiteit.

De kwaliteit van de uitvoering vraagt om leidinggevenden die investeren in continue professionalisering van hun teams op de werkvloer en in het toevoegen van andere expertise. Doornenbal noemt het ideaal als ouders niet meer hoeven te zoeken naar de juiste ondersteuning voor hun kind, ook als er extra steun nodig is, omdat dit gewoon beschikbaar is op de plek waar hun kind verblijft.

“Er zijn ontzettend veel projecten over gezond leven, taalachterstand, armoedebeleid, noem maar op, maar er bestaat nauwelijks synergie tussen die projecten.” Zij zou graag zien dat die verschillende projecten allemaal bijdragen aan één gemeenschappelijke doelstelling. De gemeente kan daar een belangrijke rol in spelen door relevante partijen samen te brengen en met elkaar een gezamenlijke ambitie te formuleren.

Verbinden

Een gemeente die nadrukkelijke keuzes heeft gemaakt, is Leeuwarden. In de Friese hoofdstad werd in 2013 het eerste IKC geopend. “De vorming van een IKC heeft veel raakvlakken met de transitie van jeugdzorg en passend onderwijs”, zegt wethouder Marianne van Hall. “Daarom willen we IKC, jeugdzorg en passend onderwijs met elkaar verbinden.”

Vrijwel alle partijen die zich inzetten voor de ontwikkeling en het welzijn van kinderen doen mee. Een van de succesfactoren noemt zij het brede draagvlak. Het initiatief wordt gesteund door politiek, bestuur, de ambtelijke organisatie en het werkveld zelf. Andere succesfactoren zijn goed overleg en korte lijnen. “Als gemeente voeren we een ‘zachte regie’: het initiatief komt bij de scholen zelf vandaan.”

Elk IKC heeft een eigen profiel en is zelf verantwoordelijk voor organisatie, doelstellingen en resultaat. De gemeente ondersteunt dit door de ontwikkelingen rond een IKC te stimuleren en waar mogelijk te faciliteren. Dat gebeurt onder andere door het organiseren van masterclasses voor bestuurders van scholen en kinderopvangorganisaties, en door scholing van pedagogische medewerkers van kinderdagverblijven en peuterspeelzalen. Doel is de kansen van alle Leeuwarder kinderen te vergroten, zodat ze op de basisschool betere leerresultaten behalen.

Regie

In het ‘Leeuwarder model’ werken organisaties op het gebied van sport, cultuur en zorg met zogeheten ‘combinatiefunctionarissen sport’ en ‘cultuurcoaches’, die zorgen dat kinderen binnen- en buitenschools in aanraking komen met verschillende sporten en een gevarieerd cultuuraanbod. Het aanbod sluit zo veel mogelijk aan op de thema’s waar kinderen op school mee bezig zijn.

De cultuurcoaches zijn actief op alle basisscholen in Leeuwarden, de combinatiefunctionarissen werken in de achterstandswijken. Ondertussen maakt ruim 90 procent van de peuters in Leeuwarden gebruik van kinderopvang. Kinderopvang moet gezien worden als een pedagogische voorziening, vindt de wethouder. Tot nu toe was kinderopvang vooral een arbeidsmarktinstrument.

De opvang stelde ouders in staat om te blijven werken of studeren. “Dat blijft ook in de toekomst belangrijk, maar de opvang is er in de eerste plaats voor kinderen en niet voor ouders.” Volgens Van Hall vraagt ontschotting tussen onderwijs, kinderopvang en jeugdhulp ook om ontschotting bij geldstromen. “Als je wilt dat kinderen gezien en gehoord worden, bijvoorbeeld als de problemen van ouders hun weerslag hebben op het kind, dan moet je snel de hulp en zorg kunnen bieden die nodig is.”

Dan werkt het vertragend en demotiverend om telkens bij een ander loket te moeten aankloppen. Het Rijk heeft jeugdzorg bij de gemeente neergelegd. Dat moet gepaard gaan met het vertrouwen dat de lokale overheid het goed doet. Decentraliseren en vervolgens eindeloos monitoren, werkt niet, vindt Van Hall. Of de centrale overheid houdt de verantwoordelijkheid, of zij geeft de gemeente daadwerkelijk de vrijheid om de regie te voeren.