De financiële crisis van de afgelopen jaren lijkt eindelijk plaats te maken voor betere tijden en dat is natuurlijk goed nieuws. Zeker voor mensen die een tijd langs de kant hebben gestaan terwijl ze graag aan het werk willen. Ook lijken diverse maatregelen om deze groep weer actief deel te laten nemen aan de maatschappij, vruchten af te werpen. Een goed begin, maar er is nog een inhaalslag te maken waarbij we moeten zorgen dat sommige kwetsbare groepen niet buiten de boot vallen.

Participatiewet

De Participatiewet is per 2015 in het leven geroepen om zoveel mogelijk mensen die daartoe in staat zijn aan het werk te krijgen. De wet is in de plaats gekomen van diverse andere wetten: de Wet werk en bijstand (Wwb), de Wet sociale werkvoorziening (WSW) en, de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong) voor die groepen die nog arbeidsvermogen hebben. Naar aanleiding van het streven van de Participatiewet hebben Nederlandse werkgeversorganisaties, vakbonden en het kabinet zich de ambitieuze en mooie taak opgelegd om maar liefst 125.000 banen per 2026 tot stand te brengen voor mensen met (grote) arbeidsbeperkingen.
Daarnaast is afgesproken om op langere termijn 30.000 nieuwe plekken beschut werk te realiseren. De toezegging om 125.000 banen te realiseren is vastgelegd in de zogenaamde Wet Banenafspraak. Deze banen zijn bedoeld voor iedereen die kan werken, maar daar als gevolg van arbeidsbeperkingen ondersteuning voor nodig heeft en geen wettelijk minimumloon kan verdienen. Iedereen die nog van regelingen uit vorige wetten gebruik mag maken, komt ook in aanmerking voor de nieuwe arbeidsplaatsen. Kortom, de Wet Banenafspraak voorziet in de werkbehoefte van een heel brede doelgroep. Hoger opgeleiden vinden doorgaans wel een baan boven het wettelijk minimumloon, en voldoen daarmee niet aan de voorwaarden voor de banenafspraak. Toch hebben ze soms evengoed extra begeleiding nodig wanneer ze zijn uitgevallen uit het arbeidsproces. Zij komen dan in aanmerking voor een re-integratietraject.

Signaleringsrapport

Onder andere vanwege de brede doelgroep en de samenloop van allerlei beperkingen bij de doelgroep van de Wet Banenafspraak, is de uitvoering van de wet een complexe opgave. Daarom is een goed werkende sociale infrastructuur essentieel. Een sociale infrastructuur is een samenhangend geheel van instrumenten, faciliteiten en voorzieningen waarmee de doelgroep ondersteund en begeleid kan worden naar zo regulier mogelijk werk. Sociale werkvoorzieningsbedrijven zijn belangrijke spelers in dit geheel. De professionals binnen deze organisaties hebben de specialistische kennis en kunde in huis om met de mogelijkheden en veranderingen van arbeidsbeperkten om te gaan, om te zorgen dat ze passend werk krijgen en houden.

Door de Sociaal-Economische Raad (SER) zijn recent zorgen geuit over de continuïteit en de rol van deze sociale werkvoorzieningsbedrijven. De SER heeft daarom een ongevraagd advies aan onze regering en het parlement gegeven in de vorm van een signalering. “De belangrijkste constatering uit het rapport was dat de afspraken om de meest kwetsbare groepen binnen de Participatiewet via beschutte werkplekken aan het werk te helpen, vrijwel niet door gemeenten werden ingevuld”, aldus Mariëtte Hamer, voorzitter van de SER. Beschut werk is bedoeld voor mensen met (beperkt) arbeidsvermogen die door lichamelijke, verstandelijke of psychische beperkingen, aangepaste werkomstandigheden nodig hebben. De instroom in de oude sociale werkvoorziening, waarin 100.000 mensen werken, is per 2015 gestopt. Het was de bedoeling dat gemeenten een nieuwe voorziening beschut werk, met arbeidscontract voor de deelnemers, zouden realiseren. Dat is echter vrijwel niet gebeurd. Daarmee wordt de mensen de mogelijkheid ontnomen om te werken en dreigt onnodige afbraak van de bestaande sociale werkvoorzieningsbedrijven.

Sociale werkbedrijven nieuwe stijl

Volgens Hamer zijn er verschillende redenen waarom het de gemeenten niet lukte om beschut werk te realiseren. Het gevolg was in ieder geval dat er teveel mensen thuiszitten en dat de sociale werkvoorziening te weinig instroom had. Mede naar aanleiding van de signalering van de SER is daarom door het kabinet besloten om gemeenten vanaf 2017 te verplichten beschut werk aan te bieden aan mensen die niet in staat zijn om bij reguliere bedrijven aan de slag gaan. Daarmee krijgen de mensen weer mogelijkheden om te werken en blijft de instroom in sociale werkbedrijven op peil. Vervolgens zal de SER de komende tijd volgen of de noodzakelijke sociale infrastructuur op regionaal niveau daadwerkelijk tot stand komt en hoe de ‘sociale werkvoorziening nieuwe stijl’ daarbinnen een goede rol kan blijven vervullen. Om mensen met arbeidsbeperkingen effectief aan het werk te helpen is het volgens de SER noodzakelijk dat op regionaal niveau tenminste zes functionaliteiten beschikbaar zijn:

  • werkgevers adviseren en helpen bij aanpassing van werkprocessen op maat
  • bieden van een voorziening voor beschut werk
  • bieden van goede matching en begeleiding: het in kaart brengen van vraag en aanbod met de daarbij behorende competenties, alsmede de inzet van jobcoaches en banenmakelaars
  • ontwikkelen van werknemersvaardigheden: startklaar maken van mensen
  • inspelen op en samenwerken met lokale en regionale werkgeversnetwerken
  • bieden van detacheringsfaciliteiten naar reguliere werkgevers

De gemeenten hebben de regie op de totstandkoming van deze infrastructuur en zijn eindverantwoordelijk voor de uitvoering van de functionaliteiten. Zij moeten daarbij nauw samenwerken met sociale werkbedrijven, sociale ondernemingen en het reguliere bedrijfsleven. Bij alle drie kunnen mensen met een beperking terecht en daarom is samenwerking onderling ook van belang. Hamer: “Het is noodzakelijk dat er een dekkende infrastructuur overeind blijft. Hierbij is het belangrijk dat je kan terugvallen op de sociale werkvoorziening, mocht iemand bijvoorbeeld door het toenemen van een beperking het huidige werk niet meer aankunnen.”

Meer dan beschut werk

Job Cohen is onafhankelijk voorzitter van de landelijke vereniging voor sociale werkgelegenheid en re-integratie Cedris. Deze organisatie is vertegenwoordiger van sociale werkbedrijven door heel Nederland. Hij vertelt dat sociale werkbedrijven van oudsher bedrijven waren waar de kennis en ervaring in huis was om psychisch, lichamelijk of verstandelijk beperkten enkel op beschutte werkplaatsen aan het werk te krijgen en te houden. Echter, deze werkplaatsen waren al voordat dit vanuit de Participatiewet werd gestimuleerd, bezig met het detacheren en plaatsen van arbeidsbeperkten bij reguliere bedrijven. De lijntjes tussen sociale werkplaatsen en sociale en reguliere ondernemingen zijn dan ook duurzaam en kort. De sociale werkplaatsen zijn er niet alleen voor de kwetsbare doelgroepen, maar ook voor werkgevers. Ze helpen werkgevers bestaande functies passend te maken voor deze doelgroep en ondersteunen werkgevers hoe ze de capaciteiten van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, optimaal en rendabel kunnen benutten.

Werk, werk en nog eens werk

Cohen geeft aan dat werk veel meer inhoudt dan een loonstrookje aan het eind van de maand. Het geeft structuur, zin aan het leven en heeft een positief effect op de eigenwaarde. Vrijwel iedereen heeft talenten die benut kunnen worden. Dat zijn aspecten die niet alleen prettig zijn voor mensen hun welbevinden, maar ze kunnen ook gezondheidsrisico’s verminderen. Cohen vindt het daarom jammer dat werk en zorg vaak nog gescheiden werelden zijn. Dit kan veroorzaken dat mensen langer dan nodig in een zorgstructuur blijven zitten. Werk kan juist goed helpen om mensen weer in beweging te brengen. Bovendien kan het verlichting aan de zorgsector geven wanneer iemand door de voordelen van werk, minder lang van zorg gebruik hoeft te maken. Cohen: “Het oude adagium van het Kabinet- Kok-I: ‘Werk, werk en nog eens werk’ is hierop geloof ik ook nog zeer van toepassing.”

Kennis en deskundigheid sociaal werkbedrijf

Net als de SER pleit Cedris voor een verbetering van de sociale infrastructuur om het doel van de Wet Banenafspraak te halen. Cohen: “Er moet een netwerk ontstaan waarin bedrijven, overheden en sociale werkbedrijven elkaar kennen en verbanden leggen.” In diverse arbeidsmarktregio´s van waaruit gemeenten en het UWV de dienstverlening aan werkgevers en werkzoekenden organiseren, zijn al nieuwe samenwerkingsconstructies ontstaan. Steeds meer sociale werkbedrijven ontwikkelen zich tot leerwerkbedrijven, andere smelten samen met de gemeentelijke sociale dienst die onder andere verantwoordelijk is voor bijstands- en uitkeringsaanvragen. Hierdoor kunnen in een vroeg stadium de juiste functionaliteiten worden toegepast. Wat Cedris verder aanmoedigt is dat de juiste kennis en competenties om mensen weer aan het werk te krijgen, binnen alle 35 arbeidsmarktregio’s aanwezig zijn. Het behoud van sociale werkbedrijven is hiervoor van cruciaal belang.

De moed om goed te doen

Ook vanuit ondernemingsorganisatie VNO-NCW en vakbond FNV werd dit jaar een vuist gemaakt voor het behoud van de kennis en kunde van sociale werkbedrijven. Voorzitter van VNO-NCW Hans de Boer is daarom blij met de verplichting van gemeenten om mensen die niet in een gewone werkomgeving aan de slag kunnen beschut werk te bieden. “Ook al kost het een paar centen, dit willen we gewoon goed geregeld hebben.” Met behulp van sociale werkbedrijven ziet hij mogelijkheden om werk door mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt op te schalen. Daarnaast vindt hij dat iedere ondernemer in zekere zin sociaal ondernemer is, omdat je je als ondernemer op een markt met mensen begeeft. Hij spreekt daarom liever van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap dan sociaal ondernemerschap als het gaat om ondernemerschap waarmee je iets extra’s kunt betekenen voor mens en maatschappij.
Wel ziet hij maatschappelijk verantwoord ondernemerschap als een aanvulling op wat je als ondernemer doet om iets extra’s te betekenen voor een ander. Het gaat erom dat mensen de moed moeten hebben om naast het werk dat ze normaal doen, ook een beetje goed te doen voor anderen. “Daar ben ik altijd voor. Wanneer je in de gelegenheid bent om iemand te helpen, moet je dat gewoon doen. Dat geldt niet alleen voor ondernemers, maar voor iedereen.” De Boer merkt wel op ook dat niet ieder willekeurig bedrijf iedereen kan helpen. Er moet onder begeleiding van de sociale werkbedrijven daarom een goede match worden gezocht, zodat je mensen niet overvraagt en ze echt op een plek komen waar ze passen en kunnen leren.

Nu is het moment

We verkeren volgens De Boer momenteel in de ideale periode om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt werk te bieden. Doordat de economie weer aantrekt en Nederland een paar grote opgaven heeft waarin geïnvesteerd moet worden, zoals vernieuwde energievoorzieningen en infrastructuur, gaan we de komende jaren naar een situatie waarbij er werk genoeg is. Tijdens de crisis was dit een ander verhaal. De Boer: “Als iemand je vraagt iets extra’s te doen, maar jij als ondernemer bent bezig met pompen of verzuipen, dan heb je even een andere focus. Maar nu het allemaal weer wat beter gaat, staat niks meer in de weg.” Voor ondernemers moet het zo makkelijk mogelijk worden gemaakt om mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in dienst te nemen, om te zorgen dat dit zoveel als mogelijk gebeurt. De Boer vindt dat de overheid samen met ondernemers met goede voorstellen moet komen om de handen uit de mouwen te steken en te laten zien wat bereikt kan worden. De sociale werkbedrijven kunnen het voor de ondernemer makkelijk maken door ze te ontzorgen en het werk te organiseren. Zo kan in de nabije toekomst iedereen, met of zonder arbeidsbeperking, deelnemen aan de maatschappij.