Kinderopvang wordt in Nederland voor ongeveer 70 procent bekostigd uit collectieve middelen. Dat doen we omdat onderzoek uitwijst dat kinderopvang een grote rol kan spelen in het wegwerken van ontwikkelingsachterstanden op jonge leeftijd. Hoe groot is het probleem van privaat geld in de sector?

Kinderopvang is niet alleen een arbeidsmarktinstrument, maar speelt ook een belangrijke rol in de ontwikkeling van kinderen voordat ze naar het primair onderwijs gaan. Uit onderzoek weten we inmiddels dat hoe jonger een kind is, hoe effectiever de investeringen zijn die we doen in het wegwerken van achterstanden op het gebied van taalontwikkeling. Kwetsbare kinderen met ouders die slecht Nederlands spreken, profiteren van de professionele en sociale input die wordt aangeboden door kinderopvang. Binnen het schoolsysteem worden aanwezige achterstanden veel lastiger ingehaald. Met die kennis is een stabiel aanbod van kinderopvangvoorzieningen een efficiënte investering om sociale ongelijkheid – en alle negatieve gevolgen daarvan – tegen te gaan. Maar hoe houden we het kinderopvangaanbod op peil en welke ontwikkelingen vormen een mogelijk bedreiging hiervoor?

Private equity in de kinderopvang

Sinds de Wet Kinderopvang uit 2005 heeft de vraag naar kinderopvang een enorme groei doorgemaakt die de sector ook interessant maakt voor ondernemers en grote investeringsfondsen. Eerder dit jaar vond een rondetafelgesprek plaats in de Tweede Kamer over de rol van private equity in de kinderopvang. Tijdens deze bijeenkomst waarschuwde een aantal wetenschappelijke experts dat een te grote afhankelijkheid van durfkapitaal de sector kwetsbaar maakt. Het gevaar: het geïnvesteerde geld zal op enig moment onttrokken worden aan de sector wanneer aandeelhouders rendement willen zien. Op zichzelf is het niet vreemd dat investeringsfondsen aan winstuitkeringen doen – maar de vraag is hoe hiermee om te gaan in een sector die, zoals de kinderopvang, grotendeels wordt gefinancierd uit publieke middelen.

Achterstandswijken en cherrypicking

Sharon Gesthuizen, voorzitter van de de Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang (BMK), onderschrijft de kritische noot van experts en ziet dat sommige aanbieders zich niet vestigen in achterstandswijken of dunbevolkte regio’s – waardoor een stabiel aanbod in gevaar kan komen. Gesthuizen: “De BMK is niet tegen commerciële partijen in de kinderopvang, mits er grenzen worden gesteld aan winstuitkeringen voor bestuurders of aandeelhouders.” Het verhaal over privaat geld in de kinderopvang is volgens Gesthuizen ook niet zwart-wit. Er zijn ook genoeg commerciële aanbieders die het geld dat wordt verdiend in wijken waar de vestigingen vol zitten, investeren in een goed aanbod in kwetsbare wijken waar de groepen soms lastig zijn vol te krijgen. Een onwenselijke situatie ontstaat wanneer dit soort ‘maatschappelijke’ aanbieders de concurrentie moeten aangaan met opvangorganisaties die deze maatschappelijke verantwoordelijkheid niet voelen en alleen aan cherry picking doen, om vervolgens het geld dat verdiend wordt uit te keren aan aandeelhouders.

Winstuitkering aan banden

De vraag is: hoe we in Nederland voorkomen dat investeerders via onze kinderopvangvoorziening profiteren van overheidssubsidie in jaren van groei – en vervolgens kapitaal onttrekken aan de sector zodra de vraag krimpt? Gesthuizen ziet hierin een rol voor de overheid: “Als we de continuïteit van het kinderopvangaanbod in Nederland belangrijk vinden dan moet je van dagopvang tussen de 0-4 jaar een recht maken voor alle kinderen.” Het aan banden leggen van winstuitkeringen in de sector is daartoe een noodzakelijke keuze: “We moeten ons afvragen wat we echt belangrijk vinden; investeren in de ontwikkeling van jonge kinderen of toestaan dat investeringsfondsen geld verdienen aan gesubsidieerde opvang.”