Gezonde voeding en voldoende beweging is belangrijk voor jongeren met een chronische ziekte of aandoening. Een slechtere conditie en een grotere heupomtrek zijn direct gerelateerd aan een hogere stijfheid van de vaten bij jeugd met een chronische ziekte of aandoening. Dat blijkt uit onderzoek van het UMC Utrecht in samenwerking met de Hogeschool Utrecht en revalidatiecentrum de Hoogstraat. De resultaten zijn gepubliceerd in de European Journal of Preventive Cardiology.

Conditie in relatie tot bloedvaten

Een slechtere conditie hangt samen met een hogere stijfheid van de bloedvaten. Een hogere stijfheid van de bloedvaten is ongezond. Dit is een voorloper van een ziekte aan het hart of de bloedvaten. Ook kinderen en jongeren met een grotere heupomtrek hadden een verhoogde kans op stijve vaten. Vooral deelnemers met een heupomtrek groter dan 73 centimeter hadden een grotere kans op stijve vaten. Dit laatste is opmerkelijk, want dit is het gemiddelde voor gezonde Nederlandse kinderen. Dus kinderen en jongeren met een iets bovengemiddelde waarde hebben al een verhoogd risico op stijve vaten.

Onderzoeksopzet

In het onderzoek werd de samenhang bestudeerd tussen algemene fitheid, heupomtrek, BMI, percentage lichaamsvet en de stijfheid van de vaten. Dit is onderzocht bij 140 kinderen en jongeren met een chronische ziekte of aandoening.
Het onderzoek onderstreept als eerste het belang van een goede conditie voor kinderen en jongeren met een chronische ziekte of aandoening. “Het is belangrijk dat een gezonde leefstijl met gezonde voeding en voldoende beweging wordt gestimuleerd bij jeugd met een chronische ziekte of aandoening,” aldus dr. Tim Takken, inspanningsfysioloog van het UMC Utrecht.

Sport en beweging

Sporten en bewegen is fijn en gezond voor iedereen. Juist voor kinderen en jongeren met een beperking of chronische ziekte. Takken: “Sport en beweging geeft afleiding en plezier en maakt kinderen sterker, fitter en weerbaarder. Mee kunnen doen met sporten, net als gezonde leeftijdsgenoten, geeft het gevoel erbij te horen.”

Bron: UMC Utrecht