Adolescenten ervaren vaker jaloezie wanneer zij met leeftijdsgenoten zijn, maar ook als ze online zijn. Dat blijkt uit onderzoek van psychologe Hannah Lennarz van de Radboud Universiteit. Lennarz promoveert 9 maart op haar onderzoek.

Veranderende emoties

Emoties zijn een belangrijk onderdeel van ons dagelijks leven. De meeste mensen ervaren verschillende emoties op één dag, of zelfs binnen uren of minuten. De adolescentie is een periode van ontwikkeling met naast fysieke en psychosociale veranderingen ook een verhoogde emotionaliteit. In welke context hebben jongeren bepaalde emoties? Hoe voelen jongeren zich in het dagelijks leven? Met wie zijn ze dan en wat zijn ze aan het doen? En hoe fluctueren hun emoties over een dag? Eerder onderzoek naar emoties en emotieregulatie bij jongeren gebeurde vaak in een laboratorium of met vragenlijsten achteraf. Psychologe Hannah Lennarz pakte het anders aan.

Het bijhouden van emoties

Lennarz vroeg 86 jongeren twee weekenden lang, en nog eens 280 jongeren een hele week lang hun emoties bij te houden. Daarvoor kregen zij negen maal per dag een melding op hun telefoon. De app stelde vragen als: Wat ben je aan het doen? Hoe jaloers ben je nu? Met wie ben je nu samen? Zo kon Lennarz de emoties in het dagelijkse leven van jongeren tussen 12 en 16 jaar in kaart brengen.

Het ontstaan van jaloezie

Van jaloezie is bekend dat het in de adolescentie een piek bereikt. Lennarz: ‘Dat is op basis van eerder onderzoek. We weten dat interpersoonlijke relaties veranderen tijdens adolescentie. Vrienden worden belangrijker, ze willen meer vrijheid van hun ouders maar wel op hen blijven steunen. Dat zijn allemaal factoren die bij kunnen dragen aan het ontstaan van jaloezie.’ Het was echter nog niet bekend op welke momenten en hoe intens jongeren nu jaloezie ervaren. ‘We weten dat het verschilt per persoon, maar hoe zich dat dan uitwerkt in het dagelijkse leven niet.’
Uit Lennarz’ onderzoek blijkt nu dat jongeren vooral jaloezie ervaren wanneer zij met leeftijdsgenoten of online zijn. ‘Een mogelijke reden is dat adolescenten graag bij een groep met leeftijdsgenoten horen en wanneer zij ervaren dat dat niet zo is, jaloezie kan ontstaan. Ook moeten zij leren omgaan met veranderende vriendschappen en zijn zij gevoeliger voor evaluatie van anderen. Hierdoor kunnen zij een gevoel van uitsluiting krijgen dat wederom jaloezie kan oproepen. Wat betreft de jaloezie online: we denken dat dit komt doordat de meeste mensen online een rooskleurigere plaatje van zichzelf schetsen. De negatieve kanten van het leven tonen de meeste mensen niet online’, verklaart Lennarz.

Sociale steun

Daarnaast onderzocht Lennarz hoe jongeren hun emoties reguleren. Dat blijken zij voornamelijk te doen door dingen te accepteren. Alleen wanneer jongeren in het dagelijks leven veel piekerden of veel sociale ondersteuning opzoeken, hangt dit samen met meer depressieve symptomen. ‘Dat piekeren is voor ons geen onverwachte bevinding, piekeren blijkt eigenlijk altijd negatief voor het welbevinden te zijn. Maar dat sociale steun een negatieve samenhang laat zien, is voor ons heel onverwacht omdat het altijd als iets positiefs wordt gezien als je sociale steun opzoekt. Om deze bevinding verder te duiden is vervolgonderzoek nodig, maar waar het aan zou kunnen liggen is dat er verschillende manieren van sociale steun bestaan. Zo kun je je hart luchten en om advies vragen, maar kan je ook samen met iemand gaan piekeren.’

Het onderscheiden van emoties

Lennarz toont met haar onderzoek aan dat het kennen van emoties belangrijk is voor het welbevinden van jongeren. ‘Ik laat zien dat het kunnen onderscheiden van negatieve emoties, dus weten of je je verdrietig of boos voelt in plaats van gewoon “slecht”, samenhangt met minder negatieve gevoelens en het vertrouwen dat je zelf je emoties kunt veranderen’, zegt Lennarz. Volgens de psychologe laat het onderzoek vooral zien dat emoties en hoe je deze reguleert varieert van persoon tot persoon. Lennarz: ‘We moeten ons bewust zijn dat iedereen verschillend kan reageren op een situatie. Het is niet one size fits all.’

Bron: Radboud Universiteit