Door vernieuwende diagnostiek en een toenemend aantal behandelmogelijkheden groeit ook de complexiteit van oncologie gestaag. Om op de hoogte te blijven van alle onderzoeken en literatuur, is het uitwisselen van kennis onder medisch specialisten van groot belang. Daarom organiseren grote ziekenhuizen regelmatig zogeheten multidisciplinaire overleggen (mdo’s), waarin alle relevante vakgebieden vertegenwoordigd zijn. Internist-oncologen Martijn Lolkema (Erasmus MC) en Jos Kitzen (Albert Schweitzer ziekenhuis) vertellen hoe deze mdo’s tot stand komen en op welke wijze ze bijdragen aan het herstel en de levenskwaliteit van kankerpatiënten.

Waarom zijn mdo’s zo belangrijk binnen de oncologie?

Lolkema: “Een mdo is een samenkomst van medisch specialisten met ieder een eigen expertise. Geen enkele dokter is namelijk in staat om alle kennis en behandelopties in zijn of haar eentje te overzien. De kennis die bij de ene persoon ontbreekt, kan de ander tijdens een mdo aanvullen. In het overleg komen specialisten samen om per patiënt een zo goed mogelijke behandelbeslissing te nemen. Dit kan een intern mdo betreffen, tussen specialisten van één ziekenhuis, of een regionale variant. In het laatste geval wisselen we kennis en informatie uit met artsen van zorginstellingen in de nabije omgeving.”

Kitzen: “Oncologie is bij uitstek een multidisciplinair vak. Er zijn dus meerdere specialismen betrokken bij een patiënt, waaronder de internistoncoloog, chirurg, gynaecoloog, uroloog, longarts en radiotherapeut. Maar ook ondersteunende specialismen spelen een belangrijke rol, zoals radiologie, nucleaire geneeskunde, pathologie en het laboratorium. De laatste jaren zijn rond individuele patiëntengroepen ‘tumorwerkgroepen’ ontstaan, zoals de borstkankerwerkgroep. Net als in een mdo zijn in deze werkgroepen alle relevante specialismen betrokken en zijn ook verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten aangehaakt. Hierbij wordt het behandeltraject van de patiënt met een specifieke tumor besproken. Kwaliteit en efficiëntie worden constant tegen het licht gehouden en verbeterd. Op deze manier ontstaan de hoogst mogelijke zorgstandaarden. Vanuit de tumorwerkgroepen zijn de mbo’s gecreëerd. Enkele jaren geleden was dit meestal één algemeen mdo per week. Inmiddels is deze opgeknipt in diverse tumorspecifieke mdo’s, zoals een borstkanker- of palliatieve zorg-mdo.”

Uit welke stappen bestaan mdo’s doorgaans?

Lolkema: “Normaal gesproken wordt een patiënt van tevoren aangemeld voor het overleg. De zogeheten poortspecialist, de arts naar wie een patiënt is doorverwezen voor medisch-specialistische zorg, bespreekt de situatie als eerste. Aan de hand van de verstrekte informatie komen de aanwezigen gezamenlijk tot een behandelbeslissing. Doorgaans zijn hier diverse specialisten bij betrokken en een enkele keer sluit ook een verpleegkundige aan, om de situatie vanuit het perspectief van de patiënt te belichten.”

Welke uitdagingen ervaart u bij mdo’s?

Kitzen: “Bij de aanmelding vult de hoofdbehandelaar doorgaans een formulier in dat hoort bij het elektronisch patiëntendossier. Een medewerker zorgt dat de patiënt in het juiste mdo wordt besproken. Diegene voorziet bovendien de huisarts na afloop van informatie over de uiteindelijke conclusies. In de praktijk is vooral de administratieve werklast een uitdaging. Deze last is vooral voor de hoofdbehandelaar aanzienlijk. Daarnaast is het lastig om alle relevante literatuur op één plek inzichtelijk te krijgen.”

Lolkema: “De tijdsbesteding die met een mdo gepaard gaat is inderdaad kostbaar. Er zit een hoop administratieve werklast aan vast. Vervelend, maar helaas onderdeel van onze functie. Het zou natuurlijk wel fijn zijn als het makkelijker kan. Ik denk dat we daarnaast moeten kijken naar de tijd die de specialisten gezamenlijk kwijt zijn aan het overleg zelf. Normaal gesproken zijn er minimaal zeven personen aanwezig, dus lopen de kosten al gauw op. Een andere uitdaging betreft de aanspreekcultuur. Het is belangrijk om gelijkwaardige mensen met elkaar in discussie te laten gaan en niet één hoogleraar voortdurend aan het woord te laten. Dominante personen passen sowieso niet goed in de mdo-cultuur.”

Kitzen: “Ik denk ook dat de aanspreekcultuur cruciaal is. Je moet elkaar in goede sfeer kunnen aanspreken op de gemaakte afspraken; het is een absolute voorwaarde voor het slagen van de multidisciplinaire overleggen.”

Jos Kitzen | Albert Schweitzer ziekenhuis

Jos Kitzen

Op welke manier dragen mdo’s bij aan het behandelresultaat?

Kitzen: “Een behandelstrategie wordt veelal in een mdo bepaald. Een betere strategie zorgt logischerwijs ook voor betere uitkomsten voor de patiënt. Gespecialiseerde mdo’s – waarbij de meest up-to-date informatie en alle relevante uitkomstparameters worden gebruikt – zullen vanzelfsprekend zorgen voor de best mogelijke zorguitkomsten. Naar mijn mening moet iedere patiënt minimaal eenmaal in een mdo besproken zijn. In de praktijk worden patiënten echter veel vaker besproken, zoals voor en na een operatieve ingreep.”

Wat is de toekomstige rol van multidisciplinaire overleggen?

Kitzen: “Met de komst van geavanceerde digitale platformen zoals bijvoorbeeld Navify™ Tumor Board solution, kan kennis gemakkelijker worden uitgewisseld en een hoop van de huidige werklast worden weggenomen. Bovendien kunnen dergelijke systemen de specialist op termijn ondersteunen bij het vaststellen van de beste behandelopties. Vanuit dit perspectief wordt al snel duidelijk wat de meerwaarde is van zo’n systeem ten opzichte van de bestaande manier van werken.”

Lolkema: “Ik denk dat mdo’s in de toekomst nog belangrijker worden. De expertise neemt aan alle kanten toe en de kankerzorg wordt steeds complexer. De literatuur en onderzoeksresultaten die we als medisch specialisten tot onze beschikking hebben, zijn moeilijk te overzien voor één persoon. Ik denk daarom dat kennisuitwisseling steeds belangrijker wordt. Dat is dan ook de crux van mdo’s: door deze overleggen kan de opgedane kennis zo snel mogelijk circuleren binnen een ziekenhuis of zelfs de regio. Een mdo is immers een platform waarop we nieuwe gegevens snel kunnen implementeren in de dagelijkse zorg. Ik denk tevens dat de overleggen kunnen bijdragen aan nieuwe onderzoeken. Om die reden is het belangrijk om ook academici bij de mdo’s te betrekken en niet uitsluitend specialisten van perifere zorg.”

Kitzen: “Ik denk dat het tevens belangrijk is dat de ontwikkeling van mdo’s wordt ingegeven door de medisch specialisten. Toen ik acht jaar geleden voorzitter werd van onze oncologiecommissie zag ik snel de noodzaak voor tumorspecifieke werkgroepen, aangezien alleen op die manier alle belanghebbenden rond een individuele patiënt om de tafel zouden komen. Mijn collega’s in het ziekenhuis zagen deze noodzaak ook en de eerste werkgroep was geboren. Het is dus van belang dat de ontwikkelingen niet van bovenaf zijn opgelegd door de Raad van Bestuur, maar ontstaan vanuit het werkveld. Dit heeft onze draagkracht, het gemeenschappelijke belang en de aanspreekcultuur in de loop der tijd alleen maar versterkt.

Tot slot hebben we bij de verdere ontwikkeling van de werkgroepen ook patiënten betrokken, aangezien alleen zij inzicht hebben in het doorlopen proces en precies de vinger op de zere plek kunnen leggen. Zorgverleners kunnen snel een blinde vlek ontwikkelen voor hun eigen zorgproces, dus de mening van patiënten is zeer waardevol.”

Meer informatie?
www.erasmusmc.nl
www.asz.nl
https://www.navify.com/