In de ouderenzorg verliest de benadering waarbij het puur om de medische achtergrond van mensen draait aan terrein. Veel zorginstellingen gaan over op een aanpak waarbij ze zich richten op de mens als geheel. Daarbij draait het niet langer om wat het beste voor iemand is vanuit gezondheidsperspectief, maar om meegaan in de beleving en wensen van ouderen.

Positieve gezondheid

Een benadering die in de ouderenzorg steeds vaker wordt toegepast is Positieve Gezondheid. Hierbij wordt uitgegaan van het idee dat het bij gezondheid, herstel en omgaan met ziekte om veel meer draait dan alleen de medische kant. “In de standaarddefinitie van de World Health Organization (WHO) wordt gezondheid opgevat als een toestand van compleet lichamelijk, geestelijk en maatschappelijk welbevinden. Die toestand bereikt je echter bijna nooit”, zegt Machteld Huber, artsonderzoeker en oprichter van het Institute for Positive Health. Om die reden introduceerde ze een nieuwe definitie van gezondheid: ‘gezondheid als het vermogen om je aan te passen en je eigen regie te voeren, in het licht van de sociale, fysieke en emotionele uitdagingen van het leven’. In deze definitie ligt de focus op de vraag of mensen kunnen (leren) omgaan met wat het leven brengt, zodanig dat ze zich daar goed bij voelen en het idee hebben dat ze zelf de regie in handen hebben.

Huber werkte haar definitie verder uit tot het concept Positieve Gezondheid. Hierin staat de mens centraal in plaats van de ziekte. Om hierop in te spelen is het de bedoeling dat zorgverleners gesprekken met patiënten op een andere manier insteken, geeft Huber aan. “Zorgverleners hebben vaak de neiging om adviezen te geven aan patiënten, terwijl het bij deze benadering draait om de vraag wat iemand graag zou willen veranderen in zijn of haar leven.” Dan kan het zijn dat er zaken ter sprake komen die helemaal geen verband houden met het medische, maar bijvoorbeeld met het sociale of spirituele.

Belevingsgerichte zorg

Een tweede nieuwe benadering, die op steeds meer verpleeghuisafdelingen voor mensen met dementie voet aan de grond krijgt, is belevingsgerichte zorg. Het is het antwoord op de groeiende onvrede over een medisch model waarin alleen werd gekeken naar stoornissen en handicaps, aldus Gerke de Boer, expert op het gebied van de nieuwe benadering. “In de loop der jaren zijn we tot de conclusie gekomen dat je je minder moet richten op de problemen van mensen met dementie, maar dat het veel beter is om mee te gaan in hun belevingswereld.” Dat betekent dat als de dementerende meneer Janssen aangeeft dat hij naar zijn moeder wil, zijn omgeving niet reageert met de uitleg dat zijn moeder al langere tijd is overleden, maar meegaat in zijn belevingswereld door het stellen van vragen. Wat
voor karakter had zijn moeder, was ze boos of ongerust als hij wegbleef, hoeveel kinderen had ze? “Correcties en confrontaties met de werkelijkheid leveren alleen maar onvrede op bij mensen met dementie. Daar raken ze nog meer van in de war”, legt De Boer uit.

Verdeling van prikkels

Bij belevingsgerichte zorg is niet alleen de houding van zorgmedewerkers en naasten van belang, de inrichting van de woonomgeving speelt eveneens een belangrijke rol. Die moet zodanig ingericht zijn dat er sprake is van een secure verdeling van prikkels, want mensen met dementie kunnen slecht tegen te veel geluid, licht of afleiding. Het aanbieden van te weinig prikkels kan echter ook een nadelig effect hebben. Er moet dus goed worden nagedacht over de keuze voor vloerbedekking, stoelen en gordijnen. Met een uitgebalanceerde aankleding en een vast ritme kunnen mensen op een rustige en vertrouwde manier de dag door komen. De kern van belevingsgerichte zorg is volgens De Boer dat mensen ergens wonen waar ze hun eigen gang kunnen gaan. Per individu dienen zorgmedewerkers na te gaan wat iemand gewend is geweest gedurende zijn of haar leven, om daar vervolgens in mee te gaan. Een kettingroker krijgt dus nog steeds de mogelijkheid om dertig shagjes per dag te roken, zelfs al verdient dat vanuit medisch perspectief niet de voorkeur. “Dit levert een enorm spanningsveld op met het vertrouwde zorgmodel”, erkent De Boer.

Groot respect

Bij genoemde benaderingen spelen naast zorgverleners ook familie en mantelzorgers een grote rol van betekenis. De vrouw van Hans Blankendaal is dement en verblijft sinds twee jaar in een verpleeghuis waar belevingsgerichte zorg wordt toegepast. Als meest in het oog springende voorbeeld van deze benadering noemt hij de inrichting met oude fauteuils en kleedjes op tafel. Dit zijn zaken die het geheugen van de dementerende bewoners het meest bekend voorkomen. Hij is echter vooral te spreken over de respectvolle houding van de medewerkers. “Ik vind het opvallend dat er groot respect is voor de bewoners en hun persoon. Verzorgenden zien hen niet alleen als cliënt, maar ook als zelfstandig individu.” Ze hebben zich verdiept in hun achtergrond en weten wat voor leven mensen hebben geleid voordat ze in het verpleeghuis terechtkwamen.

De medewerkers zijn cruciaal bij de toepassing van belevingsgerichte zorg, benadrukt Hans. Iedere bewoner heeft een andere aanpak nodig, en daarom is het erg belangrijk dat er een kern van vaste verzorgers is. “Zij kennen de bewoners, weten wat iemand nodig heeft en hoe hij of zij behandeld moet worden. De benadering valt of staat dus met voldoende personeel.” Zelf probeert hij zoveel mogelijk bij zijn vrouw te zijn om haar te helpen haar verblijf zo aangenaam mogelijk te maken. Hij is iedere dag in het verpleeghuis te vinden, eet vaak mee en slaapt er ook regelmatig. Hij helpt de verzorging en speelt voor de bewoners graag muziek van vroeger op de piano die op de afdeling staat. Muziek blijft bij dementie als een van de laatste herinneringen overeind, vertelt hij.

Op dit moment is het adagium dat mensen zo lang mogelijk thuis moeten blijven wonen, maar ik denk dat ze zo goed mogelijk thuis moeten blijven wonen.”

Familie

Hans merkt dat belevingsgerichte zorg helpt om de bezorgdheid weg te nemen die veel dementerende bewoners ervaren. Om die reden probeert hij het gedachtegoed zelf ook zoveel mogelijk toe te passen wanneer hij in het verpleeghuis is. Daarbij heeft hij veel aan een boekje van Bob Verbraeck en Anneke van der Plaats. “Er staan veel tips in over hoe je op zorggevoelens in kunt gaan en hoe je kunt nagaan wat iemand nodig heeft op een bepaald moment.” Die zijn officieel bedoeld voor zorgmedewerkers, maar Hans geeft aan dat familieleden er ook veel aan kunnen hebben.

De Boer benadrukt eveneens hoe belangrijk het is dat familieleden zich verdiepen in belevingsgerichte zorg. Mensen met dementie zijn volledig afhankelijk van hun omgeving. Als die verstandig met de ziekte omgaat, kan iemand het thuis veel langer volhouden. “De grootste problemen van mensen met dementie in de thuissituatie is dat hun omgeving hen voortdurend corrigeert. Mensen met dementie worden daar heel ongelukkig van en voelen zich onbegrepen.” Door alle confrontaties en correcties en de stress die dat oproept versnelt het dementeringsproces. Daardoor raken de reserves van naasten snel op en moeten mensen eerder worden opgenomen.

De Boer pleit er dan ook voor om benaderingen als belevingsgerichte zorg en Positieve Gezondheid niet alleen in verpleeghuizen toe te passen, maar om daar al mee te beginnen wanneer een dementerende persoon nog thuis woont. “Op dit moment is het adagium dat mensen zo lang mogelijk thuis moeten blijven wonen, maar ik denk dat ze zo goed mogelijk thuis moeten blijven wonen.” Dan blijven ze vanzelf ook langer thuis wonen, voorspelt hij.