Voor sommigen is e-health niet meer weg te denken, voor anderen is het onontgonnen terrein. Wat verklaart dit verschil, en wat kan bijdragen aan een betere implementatie van e-health? Britt van Lettow werkt sinds 2016 aan de eHealth-monitor bij Nictiz. Sinds 2013 monitort Nictiz jaarlijks de stand van zaken van e-health in Nederland. Zij vertelt over de huidige stand van zaken omtrent e-health.

Wat waren de belangrijkste e-health-trends van de afgelopen vijf jaar?

“We zien steeds meer zogeheten ‘gemaksservices’. Dit zijn bijvoorbeeld toepassingen waarmee men online afspraken kan inplannen, online gegevens kan inzien, of online medicijnen kan bestellen. Tegelijkertijd zien we ook dat deze mogelijkheden niet altijd bekend zijn onder zorggebruikers. Er zit een kloof tussen wat er mogelijk is, of men van het bestaan afweet, en hoe vaak er gebruik van wordt gemaakt. Een goed voorbeeld hiervan is het e-consult. 62 procent van de huisartsen biedt het aan, terwijl maar vier procent van de patiënten hier het afgelopen jaar gebruik van heeft gemaakt. Ongeveer 17 procent van de patiënten is überhaupt op de hoogte of e-consults mogelijk zijn bij hun huisarts of specialist. Dit komt omdat de meeste zorggebruikers niet dagelijks bij de huisarts komen. Zij zien, horen of lezen dus minder snel over de mogelijkheden van e-consulten, tenzij ze er zelf actief naar zoeken. Waarschijnlijk maken de meeste zorggebruikers daarom nog afspraken op de ouderwetse manier: bellen. Men is dit al jaren zo gewend, en men komt dus weinig in de gelegenheid om de alternatieven te zien. We zien dus wel dat het iets opkomt, maar men moet actief de weg er naartoe nog vinden.”

Hoe staat de implementatie van e-health in Nederland ervoor?

“De mate van implementatie verschilt sterk, zowel per toepassing als per instelling. Sommigen zijn al bezig met robots, terwijl anderen nog moeten beginnen te bepalen wat ze willen. Er zijn zeker heel vooruitstrevende organisaties. We zien ook organisaties of zorgverleners die voorzichtiger zijn, waarvoor zij ook goede redenen hebben. Men moet dus goed kijken per applicatie en per organisatie: op sommige vlakken gaat het heel snel, maar op andere vlakken gaat het langzaam. Het moet een bewuste keuze zijn waarom je met welke toepassing wel of juist niet aan de slag gaat.”

Hoe kan het dat het soms zo langzaam gaat?

“Er zijn verschillende oorzaken die een relatief trage implementatie van e-health kunnen verklaren. Ten eerste zijn sommige zorgverleners huiverig dat de toepassingen niet toereikend zijn, meer vragen oproepen of juist voor meer werk zorgen. En er is behoefte aan bewezen effectiviteit. Zo zijn sommigen bang dat ze niet genoeg informatie krijgen om de vraag te beantwoorden, of ze verwachten meer vragen terug te krijgen van patiënten. Men vraagt zich dan af of een fysiek consult niet effectiever, sneller en duidelijker is. Ten tweede zijn er soms zorgen over de veiligheid en privacy. Problemen zoals die bij Facebook liggen bij vrijwel iedereen nog vers in het geheugen, waardoor het vragen bij zorgverleners oproept over de veiligheid van gevoelige informatie over patiënten. En ten derde is het niet voor iedere zorgverlener duidelijk hoe men bijvoorbeeld de uren van een e-consult moet declareren bij de zorgverzekeraar. Zorgverleners voorzien dan vooral meer werk dat ze mogelijk niet goed kunnen declareren, terwijl de toepassing juist goed in het werkproces zou moeten passen wil het effectief kan worden ingezet. E-health kan de werkprocessen behoorlijk veranderen, en niet iedere zorgverlener staat hier positief tegenover of vindt dit lastig.”

Britt van Lettow

Verschilt dit per organisatie?

“We zien een verschil in de houding tegenover e-health tussen medisch specialisten en huisartsen. Dit heeft waarschijnlijk met de organisaties te maken waarin zij werken. In grotere ziekenhuizen zijn er waarschijnlijk meer middelen en mensen om de implementatie te regelen. De grootte van de organisatie en de manier waarop mensen georganiseerd zijn, hebben wel effect op de implementatie. Huisartsen werken vaak in kleinere organisaties, en moeten de implementatie zelf regelen. Voor hen is dit vaak moeilijker, omdat ze niet altijd de middelen, de tijd of de expertise in huis hebben. Dit maakt het risico voor hen veel groter, zeker in de huidige markt. Zij geven wel eens aan: ‘We weten dat we moeten investeren, maar waar moeten we voor kiezen? En wat nou als de leverancier volgend jaar failliet gaat?’ Overigens zijn grotere organisaties soms wel ‘logger’ dan kleinere organisaties, omdat er vaak meer bureaucratie nodig is voor de invoering.”

Wat is er nodig voor een goede implementatie?

Lachend: “Vrijwel iedereen is op zoek naar dit antwoord. Dit moet nog verder worden onderzocht, en dat gebeurt inmiddels ook. Er zijn wel enige factoren te onderscheiden. Zo is het heel belangrijk om patiënten en zorgverleners goed te betrekken bij de ontwikkeling en implementatie van toepassingen. Dan sluiten de applicaties vaak veel beter aan op hun wensen en behoeftes. Overigens moeten toepassingen ook op elkaar aansluiten. Er is een grote vraag naar interoperabele e-health en standaardisatie. Daarom is samenwerking tussen de ontwikkelaars ook heel belangrijk. Bovendien is het nodig om zoveel mogelijk kennis te delen: voorbeelden van wat wel en niet werkte bij anderen. Er spelen nu immers nog veel vragen: welke toepassing moet ik kiezen, hoe implementeer ik deze, wat biedt het voor mij of de patiënt? Door scholing aan te bieden of door ambassadeurs aan te stellen, kan men zorgverleners en patiënten bewuster maken over de mogelijkheden en hoe men met deze mogelijkheden werkt. Men moet het uiteindelijk ook ervaren: als je mensen vanaf het begin betrekt, staan ze er positiever tegenover en zijn ze beter in staat om het later zelf op te pakken en in te voeren.”

Wat brengt de toekomst voor e-health?

“Het is net als met internetbankieren. In het begin was er misschien twijfel, maar nu is het niet meer weg te denken uit het dagelijks leven. Het is een service die je uiteindelijk aan iedere patiënt moet kunnen bieden. Technologie speelt immers een steeds belangrijkere rol bij de komende generaties. Zij groeien op met veel digitale toepassingen, en wensen dit ook in de zorg. E-health wordt steeds meer standaard. Overigens verwacht ik niet dat e-health de menselijke kant van de zorg gaat vervangen. Het zal zich waarschijnlijk ontwikkelen als goede ondersteuning en aanvulling op
de huidige zorg. Het vervangt alleen als dat relevant is.”