Na zijn herseninfarct had Roy de Grootheupner een ‘kort lontje’, zoals hij zelf zegt. Anderen snapten dat niet, want ze zagen niks aan hem. Tijdens een behandeltraject leerde hij beter met zijn boosheid omgaan. Hij was helemaal geen man die snel boos of gefrustreerd was. Maar na zijn herseninfarct in augustus 2014 reageerde Roy (62) steeds vaker boos en agressief. De gevolgen waren ook niet niks: hij had concentratieproblemen, was overgevoelig voor licht en geluid, moest zoeken naar woorden en kon niet meer terugkeren naar zijn oude baan. “Uit pure frustratie over alles had ik een heel kort lontje. Niet alleen thuis, maar ook op straat en in winkels flipte ik soms totaal. Dat werd vaak verkeerd begrepen, want anderen zagen natuurlijk niets aan me.”

Veel geduld

Het had veel invloed op de relatie met zijn vrouw Bea (60), die ineens mantelzorger werd en moest wennen aan een andere Roy. Vóór zijn herseninfarct werkte haar man fulltime en speelde hij toneel en in een coverband. Ineens was hij steeds thuis, reageerde hij impulsief en vergat hij bijvoorbeeld de deur op slot te draaien als hij vertrok. Roy begreep haar vaak niet, waardoor ze veel geduld met hem moest hebben. Bea: “Als er irritaties waren, ging ik even naar boven. Later bespraken we dan waar het misging in het gesprek.”

Veilige groep

Pas toen Roy bij zijn huisarts om hulp vroeg, bleek dat er behandelingen bestonden. “Gelukkig maar, anders was het op een dag thuis geëscaleerd of had ik mezelf iets aangedaan.” Tijdens de behandeling was er vooral aandacht voor emotieregulatie. Roy gaf zelf aan dat hij wilde leren om beter met zijn boosheid om te gaan. Hij leerde de signalen van opkomende agressie herkennen en werd uitgedaagd om zelf te bedenken wat hij daaraan kon doen. “Ik ben mezelf tijdens die sessies echt tegengekomen. Gelukkig zat ik in een hechte groep van lotgenoten en voelde ik me veilig om me te laten gaan. Ik heb mijn woede, frustratie en verdriet er soms uitgeschreeuwd.”

Zelfreflectie

Ook Bea werd betrokken bij de behandeling, zodat ze haar verhaal kwijt kon. Dat deed haar goed. Langzamerhand merkte ze dat Roy zijn boosheid beter onder controle had. “Wat ik erg knap vind van Roy is zijn vermogen tot zelfreflectie. Hij heeft geleerd om naar zijn eigen gedrag te kijken en zijn negatieve gedachten om te buigen naar helpende gedachten.” Roy past het aangeleerde nu toe – thuis, op straat, op een verjaardag en op zijn werk, want hij werkt weer twaalf uur in de week. Als hij moeite heeft om bijvoorbeeld in een winkel iets uit te leggen, schiet Bea hem te hulp door een verkoper de situatie uit te leggen. “Zo’n verkoper brengt dan meteen meer geduld op.” Na een jaar hard werken aan zichzelf, merkt Roy dat alles beter loopt. “We vonden weer een stuk rust terug.” Het gaat de goede kant op, zegt ook Bea. Af en toe maakt ze bewust tijd voor zichzelf. Ze bokst en doet regelmatig iets leuks met een vriendin of haar dochters. “Het is belangrijk dat je als ongevraagd mantelzorger iets voor jezelf hebt.”