Klinisch patholoog Jan von der Thüsen bekijkt bijna op dagelijkse basis onder de microscoop tumorweefsel van patiënten die geïndiceerd zijn met longcarcinoom. Door moleculaire diagnostiek bepalen klinisch pathologen om wat voor type carcinoom het gaat om de behandeling meer aan te passen aan de patiënt.

Von der Thüsen legt uit wat de rol van biomarkers hierin zijn. “Biomarkers zijn aanwijzingen in tumorcellen in het longweefsel die de aard van de kanker aangeven. De uitslag van een test kan helpen in de keuze van behandeling en biedt informatie over de respons op een therapie.”
Die informatie is een goed aangrijpingspunt voor longcarcinomen waarbij een mutatie is ontdekt.

Mutaties bij longkanker

Relevante mutaties binnen niet-kleincellige longcarcinoom zitten in de genen EGFR en ALK. Op het moment dat een van deze mutaties is vastgesteld, overlegt de klinisch patholoog samen met de behandelend arts en overige specialisten – die onderdeel vormen van het molecular tumor board – in het zogeheten Multi Disciplinair Overleg (MDO) voor welke behandeling de patiënt in aanmerking komt.

Eerstelijnsbehandeling EFGR- en ALK-mutatie

Als een patiënt sterke DNA mutaties en een bepaalde receptoren expressie heeft dan is het logisch om in eerste instantie te kiezen voor doelgerichte therapie met tyrosine-kinase remmers (TKI’s). In 1 op de 10 gevallen heeft de patiënt een mutatie in het EGFR-gen en kan in aanmerking voor behandeling met een EGFR-remmer. Deze remmer blokkeert de functie van het EGFR-gen, waardoor de groei van de tumor afneemt. Van drie van de EGFR-remmers is aangetoond dat ze de overleving bij een progressieve mutatie verbeteren.

De andere relevante mutatie, in het ALK-gen waarvoor doelgerichte therapie mogelijk is, komt bij ongeveer 4% van de patiënten met niet-kleincellige longkanker voor. Hier geldt eveneens dat met ALK-remmers de functie van het ALK-gen wordt geblokkeerd dat de tumorcellen overactief maakt.
Zowel voor een EFFR- als ALK-mutatie geldt dat de tumor op een gegeven moment resistent wordt. De kankercellen reageren dan niet meer (goed) op het medicijn. Een van de meest voorkomende resistentiemechanismen is de aanwezigheid van de T790M mutatie in het EGFR gen. waarna besloten kan worden om tweedelijns te behandelen.

Behandeling andere zeldzame mutaties

Volgens von der Thüsen zijn er een aantal mutaties die weinig bij longkanker voorkomen, maar waar ook steeds meer ontwikkelingen voor komen om deze mutaties doelgerichter te behandelen. Het gaat om mutaties in de volgende genen: HER2, BRAF, RET, ROS1.
Voor deze medicijnen om dna-mutaties te behandelen worden nog klinische studies uitgevoerd om de effectiviteit te testen, waardoor ze nog niet geregistreerd zijn. De klinische studies zijn nodig om te begrijpen of bepaalde medicijnen wel of niet resistentiemechanismen vertonen. De uitkomsten van de studies moeten vervolgens leiden tot betere behandelmogelijkheden bij niet-kleincellige longkanker.

Dit artikel is financieel mogelijk gemaakt door Takeda. De hierin besproken meningen en ervaringen zijn afkomstig van de geïnterviewde personen, Takeda heeft geen invloed op de inhoud gehad.