Voor een goede, gerichte behandeling van longkanker is een precieze diagnose essentieel. Nu de diagnosemogelijkheden zich snel ontwikkelen en uitbreiden, wordt ook de behandeling steeds beter. Prof. dr. Ed Schuuring (Klinisch Moleculair Bioloog in de Pathologie (KMBP)) en prof. dr. Harry Groen (longarts), beiden verbonden aan het UMCG te Groningen, bespreken de stand van zaken.

Hoe verhouden de diagnose en behandeling van longkanker zich momenteel tot elkaar?

Groen: “De behandeling wordt steeds gepersonaliseerder, dus afgestemd op de kenmerken van de patiënt en de tumor. Dat ging de afgelopen jaren hand in hand met de technologische ontwikkelingen in het laboratorium, zodat we steeds beter weten welke processen zich in een tumorcel afspelen. We kennen de afwijkingen in het DNA en wat de tumorcel tot een tumorcel maakt.

Doordat je precies weet wat de afwijking is, kun je daar heel gericht een therapie bij vinden. Dit noemen we targeted therapy. Tegelijkertijd wordt ingestoken in immunotherapie voor andere longkankerpatiënten. Voor een deel van de patiënten met uitgezaaide longkanker konden we voorheen niet veel betekenen, maar met immunotherapie kunnen we dat wel.”

Schuuring: “Tien jaar geleden deden we binnen de moleculaire diagnostiek voor longkanker nog geen enkele moleculaire test. Nu worden in de Nederlandse richtlijn uit 2015 zeven moleculaire markers beschreven, die je moet onderzoeken om vast te stellen of een afwijking in het DNA aanwezig is en met welke targeted therapy de patiënt dan behandeld zou kunnen worden.

Onze kennis van deze afwijkingen en het moleculair profiel van de tumor wordt ook steeds groter. Inmiddels testen we niet voor zeven maar 29 verschillende markers waarvoor targeted therapy beschikbaar is, en dat vraagt om dure apparatuur en voldoende patiëntvolume om de zorg kosteneffectief te kunnen houden. De analyse van de gegevens is dermate complex dat bio-informatici ons daarbij helpen. Hierdoor zal centralisatie van complexe moleculaire pathologie verder toenemen.”

Hoe bepaal je precies welke therapie bij welke patiënt past?

Schuuring: “Aan de hand van tumorweefsel wordt in het laboratorium een moleculair profiel van de tumor gemaakt met behulp van verschillende moleculaire testen en eiwitkleuringen om vervolgens alle gegevens te combineren om tot een bepaalde therapie te komen.

Tumoren met specifieke DNA afwijkingen zijn goed te behandelen met een hoge respons op de therapie. Maar het is ook belangrijk om patiënten te herkennen zonder deze DNA-afwijkingen, om hen niet onnodig te behandelen met targeted therapie. Steeds vaker zien we tumoren met zeldzame, onbekende of ongewone DNA-afwijkingen. Die zaken bespreken we wekelijks in de ‘moleculair tumorboard’, waarin verschillende specialisten bij elkaar komen.”

Hoe kan de kwaliteit van de diagnose bewaakt worden?

Groen: “Belangrijk is dat de testvaliditeit goed is: zijn er al patiënten ergens op de wereld met eenzelfde afwijking? En wat is dan het resultaat van de behandeling? Het mooie van het moleculair tumorboard is dat je dat soort zaken goed kunt monitoren.

Dat verbetert de kwaliteit van de adviezen enorm. Bij de HER2-mutatie bijvoorbeeld reageren patiënten soms maar enige tijd goed op therapie, of minder patiënten hebben er baat bij. In de nabije toekomst verwacht ik dat we daar meer grip op krijgen.”

Schuuring: “De biopten worden tegenwoordig steeds kleiner, wat een goede moleculaire diagnostiek bemoeilijkt. Maar we kunnen ook genetisch materiaal uit de tumor in het bloed detecteren, en dat zal de komende jaren zeker verder ontwikkeld worden. Belangrijk is dat goede zorg altijd begint bij een goede diagnose. Als de diagnose niet goed is, onthoud je de patiënt van een goede therapie.”

Ga voor meer informatie naar www.umcg.nl of bel 050 361 61 61.