De behandeling van boezemfibrilleren wordt steeds meer individueel gericht. Antistolling blijft belangrijk.

Behandeling van boezemfibrilleren

Om boezemfibrilleren onder de duim te krijgen wordt traditioneel veel gebruik gemaakt van medicijnen, waarmee wordt gepoogd de hartfrequentie wat rustiger te houden. Anderzijds is behandeling er op gericht om de kwaal te voorkomen, maar de medicijnen hiervoor werken niet altijd afdoende. Gebruik is daarnaast dagelijks en dat vraagt veel van patiënten. “We zien dan ook dat in ontwikkeling van deze medicijnen de laatste tien jaar nauwelijks enige vooruitgang is gekomen”, licht dr. Lucas Boersma, electrofysioloog in het St. Antonius Ziekenhuis in Utrecht/Nieuwegein toe. De laatste tien jaar zijn er invasieve ingrepen ontwikkeld zoals catheter-ablatie en minimaal invasieve hartritme chirurgie via een kijkoperatie. “Het aantal behandelingen is sterk toegenomen en de techniek is eveneens verbeterd. De ablaties krijgen een steeds grotere aanbeveling in de richtlijnen voor behandeling.”

Scoringssysteem

Boezemfibrilleren is op zichzelf niet direct gevaarlijk, maar het vergroot de kans op het ontstaan van bloedpropjes die een beroerte kunnen veroorzaken. In 2012 is een nieuw scoringssysteem aangenomen waarmee het risico voor het optreden van beroerte bij mensen met boezemfibrilleren nauwkeuriger bepaald kan worden.
Aan de hand van dit nieuwe systeem worden tegenwoordig eerder antistollingsmiddelen voorgeschreven en ook van een zwaarder kaliber. Voorheen kon dit alleen met Vitamine K-antagonisten onder INR controle door de trombosedienst, maar sinds een aantal jaar zijn er andere medicijnen beschikbaar hiervoor.

NOAC’s en Vitamine K-antagonisten

“De nieuwe antistollingsmiddelen NOAC’s zijn uitgebreid getest bij tienduizenden patiënten. Daaruit blijkt dat ze minstens zo effectief zijn als de Vitamine K-antagonisten. Over het algemeen is met een NOAC de kans op ernstige bloedingen, met name hersenbloeding, echter beduidend lager. De Europese cardiologievereniging stelde in de richtlijn van 2012 dan ook dat NOAC’s de voorkeur zouden moeten krijgen. In Nederland is deze richtlijn overgenomen, maar voor patiënten die zonder problemen goed zijn ingesteld op de oude middelen is er niet direct aanleiding om op een NOAC over te stappen. Therapietrouw blijft hoe dan ook van groot belang.”

Wat verandert er voor de patiënt met boezemfibrilleren?

De aanpak van boezemfibrilleren wordt meer en meer tailor made. Voor elke nieuwe patiënt wordt bekeken wat de beste behandeling is en of antistollingsmiddelen noodzakelijk zijn. In het nieuwe adagium van overleg tussen arts en patiënt moet de patiënt dan wel goed op hoogte zijn van de keuzemogelijkheden. “Daar is nog wel wat werk te doen. Huisartsen bijvoorbeeld mogen de NOAC’s niet voorschrijven, dus er zit verschil in de behandeling van boezemfibrilleren door een huisarts en een cardioloog.

Huisartsen zijn er nu toe geneigd om patiënten van 65 jaar en ouder met niet te veel klachten niet door te sturen. Maar daarmee onthoud je veel patienten wel behandelingsmogelijkheden, waaronder NOAC’s en een invasieve therapie voor ritmestoornissen. Klachten zijn immers subjectief en het is afhankelijk van de huisarts of hij de klacht ernstig genoeg vindt om de patiënt door te sturen naar de cardioloog.” Dr. Boersma begrijpt de spagaat waarin huisartsen soms zitten met deze patiënten. “Daarom is het goed om lokale en regionale afspraken te maken. Bijvoorbeeld door protocollen te ontwikkelen over hoe om te gaan met calamiteiten rond bloedingen.”