Sinds 1 januari 2015 valt iedereen die kan werken maar daarbij ondersteuning nodig heeft onder de Participatiewet. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van deze wet. Zij bepalen op basis van maatwerk wie voor welke vorm van ondersteuning in aanmerking komt. Het klinkt prachtig maar in de praktijk zijn er, soms grote, verschillen tussen gemeenten in de uitvoering van de wet. Ook blijkt dat niet iedereen evenveel begeleiding krijgt. En dat heeft onder meer te maken met het financiële voordeel voor de gemeente als iemand niet langer volledig afhankelijk is van een, door de gemeente betaalde, uitkering.

Discriminatie op grond van handicap

De praktijk van alledag is niet in overeenstemming met de bedoeling van de wet. Er is concurrentie ontstaan tussen verschillende groepen mensen met een beperking. De ene groep, waarbij gemeenten meer financiële voordelen kunnen realiseren, wordt op dit moment met voorrang naar werk begeleid. Aan anderen, die bijvoorbeeld geen of slechts een kleine uitkering krijgen, wordt (nog) geen of minder aandacht besteed. Dat is in strijd met het VN-verdrag voor mensen met een beperking. Dit verdrag is 12 april 2016 geratificeerd in de Eerste Kamer en bepaalt dat mensen met een beperking op een gelijkwaardige manier moeten kunnen deelnemen aan de samenleving. Discriminatie op grond van handicap is niet toegestaan.

Onbekendheid met de doelgroep

Toch voelen heel wat mensen met een beperking zich gediscrimineerd omdat zij niet die begeleiding krijgen waarop zij recht hebben. Het is volgens Frank Bluiminck, directeur van Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland, geen onwil van gemeenten maar onbekendheid met de doelgroep. “Iedere gemeente heeft een eigen beleid en een eigen begroting. Dat kan wringen met de taken die aan gemeenten zijn toebedeeld. Maar toch hebben zij de verantwoordelijkheid om alle inwoners die hulp nodig hebben naar werk, of naar dagbesteding, te begeleiden.” Werken, of op andere wijze een dagbesteding hebben, is belangrijk. Het geeft het leven zin. Dat is voor mensen met een beperking niet anders dan voor mensen zonder een beperking.

Inclusieve maatschappij

Te vaak nog staan mensen met een beperking ‘aan de rand van de maatschappij’. Zij blijven, soms zelfs letterlijk, buiten beeld. En daardoor zien mensen zonder beperking te weinig dat mensen met een beperking ook waardevol zijn. “Dat is jammer want in de praktijk ervaren werkgevers wel degelijk dat mensen met een beperking een bijdrage kunnen leveren”, stelt Bluiminck. “Laatst bleek bijvoorbeeld tijdens een onderzoek van een lokale Albert Heijn vestiging dat de bezoekers die ene medewerker met een beperking als ‘meest klantvriendelijk’ beoordeelden. En ook van zijn collega’s en zijn chef kreeg hij waardering. Als hij er een dag niet was, werd hij echt gemist.”

Samen opgroeien

Natuurlijk is er vaak een gewenningsperiode nodig om elkaar te leren begrijpen. Juist daarom is het zo belangrijk dat kinderen met en zonder beperking al van jongs af aan met elkaar omgaan. Bluiminck bezocht onlangs een scholengemeenschap waar diverse scholen van diverse niveaus een gebouw en een aantal voorzieningen met elkaar delen. De achtsteklassers van de ‘gewone’ basisschool helpen wekelijks in de klassen waar kinderen met een ernstige beperking les krijgen en ook op het schoolplein ontmoeten zij elkaar. De kinderen groeien samen op.

Dat initiatief verdient volgens Bluiminck navolging. Het is zijn streven dat over een aantal jaar het als heel ongebruikelijk wordt ervaren als op een school of op een werkplek geen mensen met een beperking aanwezig zijn.

“Zonder werk zou ik het leven minder leuk vinden”

Volwaardige participatie Hoe belangrijk die participatie is, blijkt onder meer uit het verhaal van de 18-jarige Nina Jacobs. Zij werkt sinds anderhalf jaar in de schoolkantine van het Amadeus Lyceum in Utrecht. Nina heeft als gevolg van epileptische aanvallen tijdens haar jeugd een hersenbeschadiging opgelopen en is licht verstandelijk beperkt. Tijdens haar opleiding aan het Bartiméus College volgde zij op een aantal locaties stage. De stage bij het Amadeus Lyceum beviel van beide kanten zo goed dat zij inmiddels een vaste aanstelling heeft.

Vier dagen per week verzorgt zij met zeven collega’s, een werkbegeleider en een persoonlijk ondersteuner de lunch voor achthonderd leerlingen en docenten. Behalve dat het werk haar veel voldoening geeft, ze krijgt dagelijks complimenten van haar werkbegeleider en van docenten, heeft Nina gemerkt dat ze veel meer kan dan ze dacht. “In het begin had ik veel begeleiding nodig. Nu voer ik steeds meer taken al zelfstandig uit. Dat geeft me een heel goed gevoel. Ik word steeds zelfstandiger en krijg ook meer zelfvertrouwen. Zonder werk zou ik het leven lang niet zo leuk vinden als nu. Ik heb echt iedere dag zin om op te staan en naar mijn werk te gaan.”

Persoonlijke ondersteuning

Persoonlijk ondersteuner Dionne van Ingen is dagelijks aanwezig op de werkplek. Terwijl de werkbegeleider leiding geeft aan de horecawerkzaamheden biedt Van Ingen ondersteuning op het sociale vlak. De cliënten worden voorbereid op hun werk in de kantine en de omgang met docenten en leerlingen. Hoe ga je met elkaar om. Wat doe je als er spanningen zijn. Wanneer moet je voor jezelf opkomen en op welke manier kun je dat het beste doen.

Met al die vragen kunnen de acht kantinemedewerkers bij Van Ingen terecht. De werkbegeleider en de cliënten overleggen ook regelmatig over de leerdoelen waarmee zij aan hun ontwikkeling en perspectief op de arbeidsmarkt kunnen werken. Het doel van het werken in de schoolkantine is immers, als daartoe de mogelijkheid bestaat, een opstap naar betaald werk.

Over 10 jaar heel gewoon

De leerlingen van het Amadeus Lyceum worden, wanneer zij voor het eerst op deze school komen, geïnformeerd over de wijze waarop de kantine wordt gerund. “De school is een soort minimaatschappij waar jongeren met en zonder beperking met elkaar in contact komen”, legt Van Ingen uit. “Hier merken zij dat iedereen ertoe doet en dat wij helemaal niet zoveel van elkaar verschillen. Sterker nog, wij hebben allemaal een rol in deze maatschappij en wij hebben elkaar nodig om goed te kunnen functioneren.”

Net als Bluiminck is ook Van Ingen overtuigd dat wanneer mensen elkaar van jongs af aan leren waarderen en met elkaar samenwerken zij dit als heel gebruikelijk zullen zien. “Het wordt nu vaak nog als heel bijzonder ervaren als in een bedrijf iemand werkt die ‘anders’ is. Maar over tien jaar zal dat al heel gewoon zijn. De jongeren van nu maken de toekomst van morgen.”