Bezuinigen en toch een goede kwaliteit in de zorg blijven leveren. Dat lijkt een tegenstelling.

Per 1 januari 2015 gaat de verantwoordelijkheid voor een aantal sociale zorgdomeinen over van Rijk en Provincie naar de gemeente. Dit gaat gepaard met een stevige bezuinigingsronde. Wat betekent dit voor de kwaliteit van de zorg?

Van de Jeugdwet staat inmiddels vast dat gemeenten de uitvoering hiervan onder hun hoede krijgen. Corrie Noom is verheugd over deze ontwikkeling. Als wethouder van Zaanstad (2006 – 2014) met onder meer zorg, welzijn en jeugd in haar portefeuille en voorzitter van het G32-bestuursoverleg op het sociaal terrein heeft zij deze op de voet gevolgd. “Op dit moment is de gemeente wel verantwoordelijk voor jeugdbeleid, maar niet voor jeugdzorg”, legt ze uit. “Terwijl het juist zo belangrijk is om bij bijvoorbeeld mentale problemen bij jongeren ook de verbinding met andere domeinen te kunnen leggen. Per 1 januari volgend jaar verandert dat dus en valt alles onder de gemeente; van ambulante hulp, gesloten zorg en psychiatrie tot jeugdbescherming en reclassering. Dat betekent dat je bij een gezin met een zorgvraag vanuit de gemeente nu één deskundige kunt aanwijzen als gezinsbegeleider. Die kan waar nodig specialisten inschakelen die op een gestructureerde manier met elkaar samenwerken. Niet meer denken vanuit al die hokjes dus, maar vanuit het totaalplaatje. In mijn ogen komt dat de zorg enorm ten goede. Voor het gezin heeft dit bovendien als groot voordeel dat het straks niet meer met allerlei verschillende instanties en hulpverleners te maken heeft.”

Regie

De gemeenten krijgen – via een aanpassing in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) – per 1 januari 2015 ook de verantwoordelijkheid voor de begeleiding van mensen die zelfstandig thuis wonen, maar daar wel ondersteuning bij nodig hebben. Tweede en Eerste Kamer beslissen daarover voor de zomervakantie. “Dan moet je denken aan mensen met dementie, een (licht) verstandelijke beperking of psychiatrische problemen”, schetst Noom. “Ook begeleid wonen valt hieronder. In voorbereiding op deze overgang zijn wij als gemeente bij een aantal van deze mensen aan de keukentafel geschoven om te zien wat er leeft en wat ze precies van ons nodig zouden hebben. We merkten toen dat ze vaak zelf graag de regie over hun zorg willen houden, maar dat de huidige regels dat niet altijd mogelijk maken. Dat gaat veranderen. Ook hier komt straks één aanspreekpunt, waardoor het gemakkelijker is om overzicht te houden.” In dit licht vindt Noom het jammer dat de gemeente niet de verantwoordelijkheid krijgt voor het inzetten van de wijkverpleging. “Die verantwoordelijkheid ligt bij de zorgverzekeraars”, legt ze uit. “Daardoor blijft het risico op hokjesdenken aanwezig en dan schiet je alsnog je doel voorbij. Om dat te voorkomen motiveren we alle betrokken organisaties om elkaar beter te leren kennen en afspraken te maken over samenwerking. Dat doen we onder meer door dergelijke bijeenkomsten te faciliteren. De cliënt of patiënt wordt er immers beter van als al deze werelden met elkaar verbonden zijn.”

Kijken naar het geheel

Uit dergelijke overleggen is in Zaanstad het idee van het wijkteam ontstaan, waarin de diverse organisaties samenwerken om zorgvragen zoveel mogelijk in de wijk op te lossen. “De tien teams zijn recentelijk begonnen, het is nog te vroeg om conclusies te trekken over de resultaten”, stelt Noom. “Wel zijn er vorig jaar twee pilots geweest. Daarin bleek geregeld wat de meerwaarde is van samenwerking en het kijken naar de hele thuissituatie. Er was bijvoorbeeld een mevrouw met een dementerende man. Voor haar man was het raadzaam dat hij naar dagbesteding in een tehuis zou gaan, maar mevrouw zag daar tegenop omdat ze dan de hele dag alleen zou zijn. Nu helpt zij in dat zelfde tehuis met het rondbrengen van koffie en maaltijden.”

Niet zorgen voor, maar zorgen dat

Ondanks positieve eerste ervaringen vrezen veel patiënten/cliënten en zorgorganisaties dat de kwaliteit van de zorg er met deze transitie op achteruit zal gaan. Dit omdat deze gepaard gaat met een flinke bezuinigingsronde, bij dagbesteding is sprake van 25 procent. “Gelukkig kijkt de Tweede Kamer hier nog naar”, meldt Noom. “Het is inderdaad een uitdaging om met minder budget dezelfde kwaliteit te kunnen bieden. Er valt een slag te maken via efficiëntere afstemming, zoals ik al schetste. Daarnaast is het de bedoeling om de zelfredzaamheid van de personen in kwestie te vergroten. Waar we tot nu toe gewend zijn om zorg over te nemen, gaan we nu kijken hoe we die kunnen faciliteren. Niet zorgen voor, maar zorgen dat.

Dat betekent dat we meer gaan kijken naar wat een persoon zelf kan en hoe zijn of haar netwerk van buren, vrienden en familie actiever kan worden ingeschakeld. Een mooi voorbeeld is de groep mensen die een cursus kreeg om hun financiële problemen te kunnen aanpakken. Zij zijn daarna als ervaringsdeskundigen ingezet om buren met soortgelijke problemen te helpen. Dat soort dingen gaan echter niet vanzelf, het is een beweging die we met z’n allen op gang moeten brengen. Maar het is een hoopvolle beweging waar een enorme stimulans vanuit gaat”, aldus Noom.