Aandrangincontinentie wordt, na een blaastraining, ook aangepakt met medicatie. Sinds kort zijn er nieuwe behandelmogelijkheden. Uroloog John Heesakkers van het Radboudumc geeft uitleg.

Wat is het verschil tussen aandrangincontinentie en stress- of inspanningsincontentie?

Het is in feite een andere aandoening. Aandrang-incontinentie is een probleem van de blaas, terwijl stressincontinentie een probleem is van de sluitspier, of het afsluitmechanisme van de blaas. Aandrangincontinentie kent twee belangrijke oorzaken. De blaas is te actief, hij knijpt te vaak samen omdat op een of andere manier de controle over dat samenknijpen verloren is gegaan. Of de blaas is te actief omdat het gevoel in de blaas verhevigd is, waardoor deze mensen eerder de neiging hebben om te gaan plassen. Aandrangincontinentie is in feite een gevoelskwestie, maar we weten niet helemaal zeker of dat gevoel veroorzaakt wordt door de zintuiglijke organisatie van de binnenzijde van de blaas, of door het knijpen. Dus: krijg je door het knijpen aandrang, of krijg je aandrang waardoor je gaat knijpen? De intensiteit van dit gevoel verschilt per patiënt, maar meestal moeten ze zich wel naar het toilet haasten.

Stressincontinentie wordt tegenwoordig veel behandeld met een zogenoemd bandje om de urinebuis te ondersteunen. Welke mogelijkheden heeft u voor behandeling van aandrangincontinentie?

Zo’n bandje heeft bij aandrangincontinentie geen zin. De behandeling voor aandrangincontinentie begint bijna altijd met een training van de blaas. Dat is bedoeld om de aandrang wat meer te kanaliseren. Dat gebeurt onder begeleiding van een verpleegkundige of fysiotherapeut. Zij geven uitleg en daarmee inzicht. Patiënten schrijven op hoe vaak ze moeten plassen, hoeveel en wanneer. Gezamenlijk worden die gegevens doorgenomen en geanalyseerd. Als iemand bijvoorbeeld elke ochtend tussen 7 en 9 uur vijf keer naar het toilet moet, zou je kunnen voorstellen om te proberen uit te stellen. Met vijf minuten, of tien minuten. Dat is blaastraining en zo doorbreek je het automatisme om maar direct naar het toilet te gaan op het moment dat je aandrang voelt. Je kunt proberen de patiënt zelf iets meer controle te geven. Daar is dat inzicht voor nodig.

De vraag is nu of deze stap van blaastraining altijd wordt gevolgd door behandelaars. Je moet iemand hebben die de training kan geven en het vraagt tijd en geduld. Het is daardoor niet voor iedereen weggelegd. De tweede stap is altijd een behandeling met medicijnen. Deze stap wordt meestal snel gemaakt. Mocht de medicamenteuze behandeling niet werken, of niet goed werken, dan kunnen we nog een volgende stap maken met meer gespecialiseerde behandeling. Denk daarbij aan botox-injecties in de blaas, waardoor de blaasspiercellen wat verlamd worden. De aandrang wordt daardoor wat minder, zodat deze mensen meer tijd hebben om het toilet te halen. Neuromodulatie is eveneens een mogelijkheid. Dat wil zeggen dat we proberen de aansturing van de blaas te beïnvloeden, zodanig dat er meer controle komt. Als dat allemaal niet werkt en de aandrangincontinentie is heel ernstig, dan kun je een forse operatie overwegen waarbij je probeert de blaas als het ware te bypassen. Dit is een uiterst middel en komt eigenlijk zelden voor.

Als we inzoomen op de medicatie, welke ontwikkelingen ziet u daar?

Anders dan bij mannen is de blaasuitgang meestal niet het probleem. Het gaat bij vrouwen dus bijna nooit om klachten door een gehinderde afsluiting waardoor men vaak naar het toilet moet, maar om overactiviteit van de blaas. Daar is de medicatie dan ook op gericht.

Allereerst kun je denken aan een anticholinergicum, een middel dat twee dingen doet. Het belangrijkste is dat het de motorische activiteit van de gladde spiercellen van de blaas remt. Deze spiercellen worden aangestuurd door zogenoemde muscarinereceptoren –een ontvanger van zenuwsignalen- en acetylcholine, een stof die de overdracht van signalen regelt. Als deze stof op de muscarinereceptor komt, krijg je een samentrekking van de gladde spiercel die daaronder ligt. Deze samentrekking kun je remmen door de ontvanger, met name de M3 receptor, te blokkeren. Dat gebeurt met anticholinergica.

Ten tweede werken deze middelen ook in op het gevoel van de blaas: de overgevoeligheid, plus bijbehorende klachten, verdwijnen vaak ook. Dit is de grootste groep van middelen die we tot nu toe hadden. Er zijn verschillende soorten, maar in de essentie werken ze min of meer hetzelfde. Inmiddels werken we met de derde generatie van deze medicijnen, wat betekent dat de effectiviteit van de middelen ten opzichte van de mogelijke bijwerkingen (droge mond, obstipatie en soms bijwerkingen in de hersenen, zoals sufheid) gunstiger is dan voorheen.

Zijn er ook middelen die op een andere manier werken?

Sinds kort zijn er Beta 3-agonisten die de natuurlijke ontspanning van de gladde spiercellen in de blaas stimuleren. Ze remmen dus niet de contractie, maar werken daarentegen op de natuurlijke ontspanning van de blaasspiercellen. In de blaas heb je de sympathische actie, waarbij de blaas in rust is, en de parasympathische actie waarbij de blaas moet knijpen als je naar het toilet gaat. Beta 3-agonisten versterken de ontspanning. Ze werken dus anders dan de anticholinergica en hebben dus ook een ander profiel voor wat betreft werking en bijwerking. De werking is vergelijkbaar met die van anticholinergica. De bijwerkingen zijn mild.

Wat is de indicatie voor het voorschrijven van de Beta 3-agonisten? Of is er een verschil in de indicatie ten opzichte van de anticholinergica?

Dat is nog aftasten. Het is logisch om te denken dat als het effectief gelijk is en de bijwerkingen milder, je als eerste keus zou kiezen voor een Beta 3-agonist. Het is een afweging per patiënt. Patiënten waarvan je verwacht dat ze veel klachten van bijwerkingen zullen ondervinden van anticholinergica, kun je nu een alternatief bieden.

Deel dit artikel via:

Facebooktwittergoogle_pluslinkedin