Een wond die langer dan noodzakelijk open ligt, betekent voor de patiënt een lage kwaliteit van leven. Toch gebeurt dat regelmatig. Wondzorg is dan ook complexe zorg. Het vraagt om een multidisciplinaire aanpak en coördinatie in de zorgketen. In Nederland is dat nog niet overal goed geregeld. Voor de patiënt is er nog veel winst te behalen, maar ook de kosten kunnen flink omlaag.

Kwaliteitsindicatoren voor wondzorg

Peter Quataert is verpleegkundig specialist en voorzitter van de afdeling Wondexpertise van de V&VN, de beroepsvereniging van verpleegkundigen en verzorgenden. De V&VN heeft als beroepsvereniging kwaliteitsindicatoren opgesteld, waaraan wondzorg dient te voldoen. De verschillende wond-expertisecentra in Nederland maken daarvan gebruik.

Dat heeft een geschiedenis, vertelt Quataert. In het verleden werden verpleegkundigen regelmatig met doorligwonden geconfronteerd. Het was de tijd dat veel medisch specialisten zich niet zo interesseerden voor wonden, een enkeling uiteraard nagelaten. Maar dat was toen. Door de enorme groei van het aantal patiënten met een langer openliggende wond, is daar de laatste jaren verandering in gekomen. Er gaat veel geld om in wondzorg. Miljarden per jaar is de schatting.

Wanneer is complexe zorg nodig?

Volgens een schatting hebben 500.000 mensen in Nederland een problematisch open liggende wond. Dat aantal is voorlopig groeiende, met name door de vergrijzing: we worden ouder maar ontwikkelen op hogere leeftijd chronische ziekten. Echter, de meeste wonden zijn niet complex, legt Quataert uit. Het menselijk lichaam kan veel wonden zelf genezen.

Als een wond echter te lang open ligt, is wel degelijk sprake van complexe zorg. “Ligt een wond lang open dan betekent dat meestal dat de diagnose niet goed is gesteld. Er is niet goed gekeken naar de onderliggende problematiek. Oudere mensen bijvoorbeeld, bij wie meerdere aandoeningen spelen.” Daarom moet bij openliggende wonden altijd een diagnose worden gesteld, waarbij de mens in zijn totaliteit wordt bezien, zegt Quataert. “Welke aandoeningen een rol kunnen spelen, maar ook wat de levensstijl van iemand is. Of mensen roken en drinken en zich houden aan een eventuele therapie.”

De toenemende vergrijzing

De ene wond is de andere niet, benadrukt Mike Leers, toezichthouder bij enkele zorgorganisaties. “De onderliggende problematiek moet goed in kaart zijn gebracht. Het maakt nogal een verschil of een gezond mens een wond overhoudt aan een operatie of een diabetespatiënt een wond aan zijn voet ontwikkelt.”

Dat het aantal mensen met een openliggende wond groeiende is, heeft alles te maken met de vergrijzing, legt hij uit. “We worden steeds ouder omdat we niet meer overlijden aan bepaalde ziekten maar er wel chronische aandoeningen aan overhouden zoals diabetes en vaatlijden. Er zijn inmiddels een miljoen mensen in Nederland met diabetes; zij kunnen wonden aan bijvoorbeeld hun voet ontwikkelen, waarbij snel en effectief behandelen geboden is. Iedere dag komen er ongeveer 70 diabetespatiënten bij. Mensen overlijden daarnaast minder snel aan kanker, maar kunnen vanwege bestraling wel wonden ontwikkelen. Mensen die lang moeten liggen, kunnen bovendien doorligwonden ontwikkelen. Zo zijn er verschillende wonden die als gevolg van de vergrijzing toenemen.”

Coördinatie van wondzorg in de keten

Alertheid en afstemming zijn twee sleutelwoorden voor Leers. “Alert zijn op het ontstaan en open blijven van wonden, ook bij de patiënt zelf, en afstemming van de professionals in het zorgproces.” Die afstemming is belangrijk, want ook procesmatig schort er een en ander aan de wondzorg in Nederland.

Leers: “Er zijn soms zoveel professionals betrokken bij de wondzorg, dat de een van de ander niet weet wat zij doen. Een geïntegreerd patiëntendossier ontbreekt vaak; wie hoofdbehandelaar is, is onduidelijk, en men communiceert niet goed over wat al aan zorg is geleverd.” Wat nodig is coördinatie in de keten van wondzorg en de inrichting van kwaliteitsbeleid met regionale protocollen en zorgpaden. De kwaliteitsindicatoren van de V&VN betreffende complexe wondzorg, behelzen onder meer het aanstellen van een casemanager: een coördinator van het zorgproces.

Zorg in de eerstelijn, anderhalvelijn én tweedelijn

Quataert signaleert dat veel patiënten te lang onder de hoede van de huisarts blijven, zonder dat adequate wondzorg geleverd wordt. “In verschillende regio’s in Nederland is wel sprake van een gecoördineerde aanpak. Mensen die wondzorg nodig hebben, worden dan door de huisarts snel doorverwezen naar gespecialiseerde centra. Dat hoeven geen tweedelijnscentra te zijn, verbonden aan het ziekenhuis. Het beste is om deze zorg dichtbij de patiënt aan te bieden, in eerste- of anderhalvelijnscentra. Dat is bovendien goedkoper dan tweedelijnszorg.” Wat Quataert betreft mogen de zorgverzekeraars daar wel wat meer op sturen. “Het is goed als deze zorg in de eerstelijn plaatsheeft, maar dan moet daarvoor in de eerstelijn wel bekostiging zijn.”

De rol van zorgverzekeraars

Leers vindt eveneens dat de zorgverzekeraars nadrukkelijker hun rol mogen innemen in de wondzorg. “Programmatisch werken is bij diabetespatiënten enorm belangrijk; de zorgverzekeraars sturen daar ook op. Maar er is nog veel meer winst te behalen voor de patiënt. Bovendien gaat de winst voor de patiënt hand in hand met financiële voordelen. Wat meespeelt, is dat wondzorg weinig spectaculair is; er is geen patiëntenvereniging die zich er hard voor maakt. En zo op het oog zijn er meer prestigieuze projecten waarmee de zorgverzekeraars hoge ogen kunnen scoren. Maar, er gaan per jaar miljarden om in de wondzorg. Aan materialen, aan zorgverleners en er zijn vele partijen die aan de weg timmeren. De zorgverzekeraars hebben een belangrijke taak in het tegengaan van verspilling van zorgkosten en bevordering van de kwaliteit. Daarnaast is de winst voor de patiënt enorm als de wond minder lang openligt. Op kwaliteit en op kosten is er dus veel winst te behalen. Ik pleit ervoor dat zorgverzekeraars, bijvoorbeeld via Zorgverzekeraars Nederland, de wondzorg nadrukkelijker adresseren. Ik nodig ze van harte uit hun kop boven het maaiveld te steken.”

De multidisciplinaire aanpak van wondzorg

Overigens bepleit Leers voor een multidisciplinaire aanpak waarbij zowel huisarts als medisch specialist een belangrijke rol hebben. “Juist omdat het bij complexe wonden vaak om meerdere onderliggende chronische aandoeningen gaat, is continuïteit en coördinatie van zorg in de directe leefomgeving van de patiënt, dus in de eerstelijn belangrijk. Vanzelfsprekend hoort daar ook een goede afstemming met de tweedelijn bij.”

De minister heeft ondertussen aan Wondplatform Nederland gevraagd om met een kwaliteitsstandaard voor wondzorg te komen. In Wondplatform Nederland zijn 17 medische beroepsverenigingen verenigd; allen houden zich bezig met wondzorg. Wat Quataert betreft een positieve ontwikkeling. “Alle bij wondzorg betrokken partijen besluiten met elkaar hoe de zorg eruit moet zien. De samenwerking in Wondplatform Nederland is goed en dat is ook nodig om in heel Nederland de wondzorg te verbeteren.”