Een veertigjarige vrouw meldt zich bij de huisarts. Ze heeft last van haar rug en merkt daarnaast op dat ze in de afgelopen maanden zonder opzet aardig wat kilo’s is kwijtgeraakt. Voor de huisarts waarschijnlijk voldoende informatie om de alarmbellen te doen rinkelen, door te vragen en zo nodig actie te ondernemen. Immers, onbedoeld gewichtsverlies kan duiden op een onderliggende ziekte. Ook de vrouw zelf is zich voldoende bewust van het feit dat plotseling afvallen iets is om op te letten, vandaar dat ze het deelt tijdens het consult. Deze bewustwording is minder vanzelfsprekend voor ouderen met een soortgelijk gewichtsverlies. Net zoals gehoorverlies of gebitsproblemen, lijken veel ouderen en hun omgeving zich er onterecht bij neer te leggen dat gewichtsverlies een onvermijdelijk onderdeel is van de oude dag. Zelf trekken ze niet aan de bel en ook de omgeving heeft niet altijd de juiste kennis om adequaat te reageren.

“Men weet niet dat men moet ingrijpen”, stelt Lydia Jeuken, projectleider Goed gevoed ouder worden bij Stuurgroep ondervoeding. Ze benadrukt dat onbedoeld gewichtsverlies nooit gezond is, zeker niet bij ouderen. Wat namelijk begint met een paar kilo’s gewichtsverlies kan al gauw leiden tot een neerwaartse spiraal die eindigt in ernstige ondervoeding. Spierkracht en spiermassa gaan verloren en de conditie en afweer nemen af. Men wordt makkelijker ziek, herstelt vervolgens minder snel en krijgt meer complicaties te verduren. Dit kan resulteren in een ziekenhuisopname van langere duur, waardoor men verder verzwakt, minder eet en minder beweegt. Hetgeen weer leidt tot verder verlies van spierkracht en -massa en verminderde zelfstandigheid, zelfredzaamheid en kwaliteit van leven. Daarmee is de cirkel rond.

Focus op preventie

Wanneer iemand eenmaal in die vicieuze cirkel belandt, is het een flinke opgave hier weer uit te komen. Als mensen verzwakt zijn, ontbreekt het ze simpelweg aan de energie die nodig is om het gewicht weer op te bouwen. Vandaar dat Jeuken graag zou zien dat er een grotere focus op preventie komt te liggen. “Bij beginnende tekenen van ondervoeding kan interventie snel en op een weinig ingrijpende manier plaatsvinden. Op dat moment kan bijvoorbeeld een diëtist met voedingsmiddelenadvies en extra tussendoortjes nog heel veel bereiken en erger voorkomen.” Ook een gesprek met iemand over zijn of haar voorkeuren, dagelijkse activiteiten en over waarom de juiste voeding daarbij belangrijk is, is in een vroeg stadium nog heel waardevol. “Komt de doorverwijzing naar de diëtist echter pas maanden later, wanneer iemand al tien kilo is afgevallen, dan hebben dat soort zaken te weinig effect”, stelt Jeuken. Het kost dan veel meer tijd en inspanning om het gewicht en de spieren te herstellen.

Wat het voorkomen van ondervoeding zo lastig maakt, is dat juist het gewichtsverlies een van de meest duidelijke signalen is. Op het moment dat iemand echter zichtbaar is afgevallen, is het preventiestadium al gepasseerd. In een ideale wereld zou men al in een eerder stadium bezig zijn met screenen op signalen die optreden nog voor het gewichtsverlies. “We weten dat er een verzameling van oorzakelijke factoren is die alleen of in combinatie met elkaar ervoor zorgen dat mensen minder gaan eten of dat de energiebalans negatief wordt. Met in beide gevallen gewichtsverlies als gevolg”, vertelt Lisette de Groot, hoogleraar Voeding van de oudere mens bij Wageningen University & Research. Een ziekenhuisopname, verminderde mobiliteit, of kauw- en slikproblemen behoren bijvoorbeeld tot de determinanten van ondervoeding. Ook niet-fysieke factoren zoals het verlies van een partner, een traumatische ervaring of eenzaamheid verhogen het risico. Wanneer iemand op latere leeftijd te maken krijgt met een of meerdere van dergelijke factoren zou dat voldoende reden moeten zijn om voeding hoog op de agenda te zetten en iemands gesteldheid extra goed in de gaten te houden. Door meteen bij te sturen, kan men een eventuele achterstand op het gebied van voedingsstoffen beperken. Wanneer die achterstand er eenmaal is, is die moeilijk in te halen.

Gedeelde verantwoordelijkheid

Vanwege de verscheidenheid aan onderliggende oorzaken, is een goede samenwerking van belang bij het tijdig signaleren van (het risico op) ondervoeding. “Met name bij kwetsbare ouderen signaleren partners, mantelzorgers of thuiszorgmedewerkers vaak eerder dan de oudere zelf dat er iets aan de hand is. Als er signalen zijn, is het goed om dat meteen met anderen te delen,” stelt Emmelyne Vasse, ook projectleider Goed gevoed ouder worden bij Stuurgroep ondervoeding. Uiteraard is het ook voor ouderen zelf die merken dat ze zich futloos voelen en minder kracht hebben goed om dat te bespreken, evenals een plotseling losser zittende ring of riem.

Ze adviseert om bijvoorbeeld een diëtist te betrekken, maar ook zelf het gesprek aan te gaan. “Vraag of iemand straks lekker gaat eten en of iemand heeft genoten van een maaltijd. Aan de antwoorden merk je al snel of er iets aan de hand is.” Ook wanneer al gebleken is dat iemand minder is gaan eten, kan een dergelijk gesprek nog veel opleveren. Vertelt iemand nog vol enthousiasme over eten, maar blijven maaltijden toch staan? Dan ligt de oorzaak misschien bij smaakverlies, medicatie, kauwproblemen of het opzien tegen alleen eten. De Groot beaamt dat men de verantwoordelijkheid van het voorkomen en behandelen van ondervoeding gezamenlijk moet oppakken. “Als je weet dat er veel oorzakelijke factoren zijn, moet je met veel verschillende disciplines samen naar een oplossing toewerken. De bal ligt niet bij een enkele partij. Ook een tandarts kan aan zet zijn in het geval van kauwproblemen, het bedrijfsleven kan bijdragen met eiwitrijke voedingsmiddelen en de overheid kan partijen hierin sturen.”

Geen vet, maar kracht

Om de kans te vergroten dat een oudere, een naaste of een zorgprofessional tijdig aan de bel trekt, is het cruciaal dat het bewustzijn omtrent de prevalentie en gevolgen van ondervoeding bij ouderen toeneemt. Zelf hebben mensen op latere leeftijd vaak het idee dat ze minder ondernemen en dus minder nodig hebben, vertelt Vasse. In werkelijkheid verschillen de voedingsbenodigdheden niet veel van andere volwassenen, waardoor men zichzelf tekort doet door te simpel te eten. Jeuken voegt toe dat daarnaast blijkt dat mensen niet goed weten waar ze op moeten focussen.

“Dan doet iemand bijvoorbeeld zijn best om gezond te eten met magere producten, groenten en fruit. Dat eiwitten zo belangrijk zijn voor de opbouw en het behoud van spiermassa, is niet bekend.” Daar komt nog eens bij dat mensen veelal gewend zijn geraakt aan het idee dat gewichtsverlies gezond is. Wanneer ze minder behoefte voelen om te eten, zien ze dat als een positieve ontwikkeling. Vasse: “Wat ze zich niet realiseren, is dat ze bij onbedoeld gewichtsverlies op latere leeftijd vaak geen vet inleveren, maar voornamelijk spieren en daardoor kracht en conditie. Twee dingen die heel moeilijk terug te winnen zijn.”

Ook professionals in de zorg zijn belangrijk in de signalering van ondervoeding of het risico hierop. Dit is een blijvend aandachtspunt, aldus De Groot. “We zien dat het bewustzijn er niet altijd is. In de maatschappij ligt de nadruk behoorlijk op overgewicht en veel minder op ondervoeding. Het besef over de omvang van de problematiek ontbreekt niet alleen bij ouderen zelf, maar ook bij de mensen daaromheen, inclusief zorgprofessionals.” Jeuken voegt toe dat ook het urgentiebesef omhoog zou mogen bij zowel ouderen en hun omgeving als bij mensen in de zorg. Het signaleren van gewichtsverlies gaat dan bijvoorbeeld goed, maar er wordt geen actie ondernomen. “In plaats van het eerst drie maanden aan te kijken om vervolgens te concluderen dat het dan écht slecht gaat, moet je meteen ingrijpen.”

Prevalentie van ondervoeding

Dat ondervoeding een uitdaging is die de aandacht van de verschillende partijen waard is, blijkt onder andere uit cijfers over de prevalentie van ondervoeding in de Nederlandse zorgsector. Uit het meest recente rapport van de Landelijke Prevalentiemeting Zorgproblemen blijkt dat gemiddeld bijna een op de vijf bewoners in de wonenzorg-welzijn-sector kampt met ondervoeding, en van de mensen die thuiszorg ontvangen, is dat ruim een op de tien. Naast preventie is het dus ook hard nodig om bestaande ondervoeding op succesvolle wijze terug te dringen. Daarbij is het in de eerste plaats belangrijk om de oorzaak van de ondervoeding te achterhalen, aldus De Groot. Als die bekend is, kan men er mogelijk duurzaam iets aan doen.

“Eet iemand minder in verband met kauwproblemen, dan kan men wellicht de gebitstoestand verbeteren om iemand zo meer te laten eten. Heeft iemand geen eetlust meer, dan biedt een voedingspatroon rijk aan energie, eiwit en nutriënten uitkomst.”

Naast het aanpakken van de individuele oorzaken geldt bij het behandelen van ondervoeding het algemene advies van de juiste voeding in combinatie met de juiste beweging. Zo heeft onderzoek aangetoond dat georganiseerde krachttraining samen met voorlichting over de juiste voeding bij fragiele ouderen kan leiden tot een toename van spiermassa, spierkracht en mobiliteit. Vasse onderschrijft het belang van beweging en ziet daarin een uitdaging voor de toekomst. “Je kunt eten wat je wil, maar als je je spieren niet gebruikt, raak je die kwijt. Voor zowel voeding als beweging geldt: mensen moeten zich bewust zijn van wat ze nodig hebben.”