Het onderzoek naar leukemiecellen helpt bij de behandeling van ALL. Prof. Dr. Monique den Boer is medisch bioloog en verbonden aan het Erasmus MC in Rotterdam. In dit interview verduidelijkt ze haar laboratoriumonderzoek naar kinderleukemie.

Wat omvat uw onderzoek naar leukemie?

We proberen de ziekte te doorgronden, we willen weten waarin een leukemiecel verschilt van een gezonde witte bloedcel. De hamvraag is of we die afwijking kunnen gebruiken om de diagnose scherper te stellen en bovenal een meer optimale behandeling te bedenken. De overleving bij kinderen met acute lymfatische leukemie (ALL) is goed, maar in de reguliere behandeling krijgen ze nu 10 tot 15 verschillende medicijnen, twee jaar lang, met veel bijwerkingen die ook op de langere termijn effecten hebben en bijvoorbeeld hart- en nierschade kunnen veroorzaken. Daar komt bij dat 20% van de kinderen en 50% van de volwassenen niet geneest en als kinderen genezen, hebben ze op langere termijn dus last van bijwerkingen. Het moet beter en de vraag is hoe.

Wat zijn tot nu toe de resultaten van het ALL-onderzoek?

In het laboratorium zijn nieuwe diagnostische factoren gevonden. Eén van deze factoren heet Ikaros, een gen betrokken bij witte bloedcelvorming. Uit ons onderzoek is gebleken dat patiënten met afwijkingen in dit gen een slechte prognose hebben; zij krijgen nu een langere, aangepaste behandeling. Ander onderzoek heeft opgehelderd waarom sommige patiënten ongevoelig (resistent) zijn voor prednison, een van de belangrijkste medicijnen in de behandeling van ALL. Door ons onderzoek leren we de leukemiecellen steeds beter te doorgronden. Kennis die nodig is om naar andere behandelopties te zoeken en die dan in het laboratorium gedegen uit te testen alvorens klinisch toe te passen. Op termijn zal het betekenen dat de behandeling meer en meer toegaat naar personalized medicine, gerichte behandeling op basis van de karakteristieken van de leukemie bij de individuele patiënt.

Wat is het belang van goed onderzoek in het laboratorium?

Zonder lab-onderzoek valt er weinig progressie te verwachten in de huidige behandelresultaten. De afgelopen decennia zijn grote stappen gemaakt maar er is nu een plateau bereikt in de behandelresultaten bij kinderleukemie. De grote stappen zijn gemaakt door verschillende soorten chemotherapeutica te combineren, maar je verbetert in feite niets aan de specificiteit van de therapie. Chemotherapeutica zijn niet echt specifiek te noemen, vandaar ook de vele bijwerkingen. De laatste stap moet komen uit onderzoek naar de pathobiologie van de ziekte: waarin is een leukemiecel anders dan een gezonde witte bloedcel en kunnen we dit gebruiken om de behandeling te verfijnen? Door specifiekere medicijnen te geven, hopen we dat de behandeling korter kan. Korter en effectiever.

Hoe kan de behandeling korter en effectiever worden?

Doordat we het DNA van leukemiecellen beter in kaart kunnen brengen per patiënt, zien we dat leukemiecellen in een patiënt niet allemaal hetzelfde hoeven te zijn. We bestrijden nu nog de bulk van leukemie met chemotherapie, maar genetisch gezien kunnen er meerdere afwijkingen zijn, soms maar in een paar procent van de leukemiecellen. Die zouden we eigenlijk apart moeten behandelen. De vraag is hoe? Daar ligt een belangrijke bijdrage voor het laboratorium. Een ander punt is dat in het beenmerg een micromilieu heerst waardoor leukemiecellen kunnen groeien. Een vraag is of we dat micromilieu zodanig kunnen veranderen dat leukemiecellen uiterst gevoelig worden voor therapie. En er geen ontsnapping (resistentie) meer mogelijk is. Dit onderzoek is natuurlijk ook voor volwassenen van groot belang. Overigens wil ik geen valse hoop creëren, het is onderzoek dat stapje voor stapje gaat, al zit er wel duidelijk progressie in.