Innovaties zijn onlosmakelijk met de zorg verbonden. Niet alleen om te verbeteren, maar ook om te continueren. Hierbij zijn wetenschappelijk onderzoek en onderwijs van groot belang. Gebieden waar ook de technologie een steeds grotere rol in gaat spelen.

Niet vernieuwen is putten uit een mijn die bijna leeg is, aldus Eveline Wouters, hoogleraar Succesvolle technologische innovaties in de zorg bij Tranzo, Tilburg University, en lector Health Innovations and Technology bij Fontys Hogescholen. Nederland heeft volgens haar een punt bereikt waarop de zorg haast onbetaalbaar is geworden. Innovaties zijn dan ook noodzakelijk om niet op eenzelfde manier door te hoeven gaan. “Op een gegeven moment bereik je de bodem en dan ziet het er somber uit. Een uitzichtloze en onwenselijk situatie.”

Een gedachtegang waar ook Marike Lancel, bijzonder hoogleraar Slaap en psychopathologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, zich in kan vinden. Het is de bedoeling dat er hoogwaardige zorg geleverd wordt ofwel de beste die op dat moment te krijgen is, legt ze uit. Hiervoor is evalueren van groot belang, waarbij telkens moet worden nagegaan of de behandeling nog steeds de meest gunstige is. “Zonder innovaties staan we stil, is de situatie over tien jaar nog hetzelfde en staat vast dat patiënten zeker niet meer de meest optimale, hoogspecialistische zorg ontvangen.”

Onderzoek en de praktijk

Vernieuwingen in de zorg kunnen ontstaan vanuit een behoefte of een probleem in de praktijk, zoals wanneer de standaard therapie onbevredigende effecten oplevert, vertelt Lancel. Maar daarnaast kunnen ze ook het gevolg zijn van de toepassing van wetenschappelijk theorieën of nieuwe inzichten. Wil daadwerkelijk vernieuwing bereikt worden, dan is in beide gevallen gedegen, klinisch wetenschappelijk onderzoek essentieel.

Ook Wouters stipt het belang van wetenschap aan. Volgens haar geeft het de onderbouwing dat wat wordt gedaan de juiste manier van handelen is. Ook geven studies input voor innovaties, en geven vertrouwen dat de bedachte vernieuwingen daadwerkelijk tot de gewenste resultaten leiden.

Hoewel wetenschappelijk onderzoek traditioneel door universiteiten werd gedaan, verschuift dit nu steeds meer naar een samenwerking met praktijkinstellingen. Een grensgebied waar ook Lancel zich in begeeft. Behandelaren uit de geestelijke gezondheidszorg (ggz) worden regelmatig gevraagd om colleges te geven en op de scholen hun kennis te verspreiden, legt ze uit. En andersom, zien we ook universitaire docenten en onderzoekers een deel van hun tijd in de zorg werken. “Dit is een goede manier om de realiteit niet uit het oog te verliezen en voeling te houden met de praktijk.”

Praktijkgericht onderzoek

Binnen de ggz zijn er bovendien zogenoemde TOPGGz afdelingen, waar structureel aan wetenschappelijk onderzoek en systematische evaluaties wordt gedaan. Organisaties die Lancel van groot belang acht. Er wordt veelal gedacht dat de ggz uitsluitend voor behandelingen is bedoeld en universiteiten voor het onderzoek, legt ze uit. Hierbij wordt echter vergeten dat de meest complexe patiënten zich voornamelijk in de zorginstellingen bevinden. “Wie hen wil bestuderen, moet hier dus wel naartoe. Daarnaast kan de inbreng van dit soort studies in de ggz het voordeel met zich meebrengen dat het werk in een zorginstelling interessanter wordt en hoogopgeleid personeel kan worden aangetrokken.”

Hoewel de universiteiten geld krijgen om onderzoek te kunnen doen, is dit bij de ggz-instellingen niet aan de orde. Behandelaren verrichten hun onderzoeksactiviteiten dan ook vaak in hun vrije tijd, aldus Lancel. Er zijn wel bepaalde fondsen voor patiëntgericht onderzoek, maar hierbij gaat het om relatief kleine bedragen voor kortlopende en praktijkgerichte studies. Grote onderzoeken die een langere termijn in beslag nemen, kunnen dan ook veelal niet gerealiseerd worden. “Het lijkt wel of er wat laatdunkend naar praktijkonderzoek wordt gekeken. Dit is jammer, want de ggz is een zeer waardevolle plaats om onderzoek te doen.”

Inzichten in de praktijk brengen

Daarbij zouden onderzoeksresultaten direct in de praktijk kunnen worden gebracht. Voor iemand die zich met beide gebieden bezighoudt, is dit immers makkelijker te bewerkstelligen, zegt Lancel. “Er dient empirische onderbouwing te zijn voor de effectiviteit van een therapie en de tevredenheid van patiënten erover. Is dit het geval, dan kan de kennis aan andere behandelaren worden overgedragen en ingezet.”

Een voorbeeld van een onderzoek dat zich succesvol heeft vertaald in de praktijk, betreft de behandeling van brandstichters in forensisch instituten, vertelt Lancel. Omdat het aantal brandstichters in de forensische kliniek toenam en er geen gerichte behandeling voor hen was, hebben collega-wetenschappers onderzocht wat de groep brandstichters van andere forensische patiënten onderscheidt. Er kwam onder meer naar voren dat brandstichters over het algemeen zwakke sociale vaardigheden bezitten. Deze inzichten zijn vervolgens omgezet in een specifieke behandeling voor brandstichters, die inmiddels in meerdere Nederlandse klinieken op werkzaamheid wordt onderzocht.

Technologische ontwikkelingen

De terreinen van wetenschap, zorgpraktijk en onderwijs worden in toenemende mate door technologieën beïnvloed. Hierdoor veranderen praktijken en rollen, zegt Wouters. Technologie ontwikkelt zich razendsnel en gaat eigenlijk dwars door de disciplines heen. Zaten onderzoekers vroeger nog in de bibliotheek om artikelen op te zoeken, tegenwoordig kunnen duizenden studies tegelijkertijd worden doorzocht. Een ingrijpend contrast, dat in steeds meer gebieden is terug te zien. “Bestaande zuilen worden doorkruist, waardoor bestaande praktijken zullen veranderen. En dit geldt ook voor de zorg.”

Een voorbeeld van een innovatie, betreft de toepassing van zogenoemde lifestyle monitoring bij thuiswonende ouderen, licht Wouters toe. Dit zijn sensoren waarmee hun dagelijkse bezigheden vierentwintig uur per dag kunnen worden gevolgd. Er ontstaat zo zicht op onder andere het eetgedrag, beweegpatroon en de houding van mensen. Dit kan niet alleen als waarschuwingssignaal fungeren voor bijvoorbeeld achteruitgang in gezondheid, maar ook angst wegnemen bij mensen die bijvoorbeeld bang zijn om te vallen en geen hulp te kunnen inschakelen. Uiteindelijk kan het ertoe leiden dat ouderen langer veilig thuis kunnen blijven wonen.

Dit soort monitoring vindt inmiddels ook in de reguliere zorg plaats. Zo kunnen mensen van een afstand worden gecontroleerd, waardoor ze minder vaak op doktersbezoek hoeven te komen. Een ander voorbeeld betreft de toepassing in een verpleegtehuis, waardoor zorgprofessionals niet meer bij iedereen nachtrondes hoeven te doen. Het maakt de zorg compleet anders en leidt tot een andere relatie met patiënten.

Nut inzien

Het is altijd van groot belang om alle partijen die met de technologie te maken krijgen, mee te nemen in het ontwerp en de invoering ervan, benadrukt Wouters. In theorie is van alles mogelijk, maar het blijft altijd een kwestie van acceptatie. Niet alleen de rollen zullen veranderen, maar ook de werkzaamheden in de praktijk. En hoewel de technologie zich snel ontwikkelt, zijn mensen toch vaak geneigd om in bestaande processen te blijven werken.

Zorgverleners moeten dan ook niet enkel leren om de technologie te bedienen, maar ook het nut ervan kunnen inzien. Ze moeten weten waarom het wordt gebruikt, welk doel het heeft en in hoeverre het daadwerkelijk goed is voor de zorg die zij bieden. In het geval van een verpleeghuis betekent dit bijvoorbeeld dat niet alleen de professionals en bewoner, maar ook medebewoners en familieleden met het gebruik in dienen te stemmen. “Technologie ontwricht en zodra het ergens wordt geïmplementeerd, betekent dit altijd een omslag in processen.”

En wat betekent het voor het onderwijs? Ten eerste moeten studenten goed worden voorbereid op de veranderende toekomst, legt Wouters uit. Dit houdt in dat hen duidelijk moet worden gemaakt dat in feite niets zeker is, behalve dat alles onzeker is. Daarbij heeft het geen zin om iedereen volledig op de hoogte te stellen van de laatste technologieën. Tegen de tijd dat ze zijn afgestudeerd, zijn er immers allang weer innovaties bijgekomen.
Het belangrijkste is dan ook dat er aanzet wordt gegeven tot de vorming van een bredere mindset.“Potentiële zorgverleners dienen niet alleen hun vak te verstaan, maar ook brede competenties te ontwikkelen die flexibiliteit mogelijk maken. Dit betekent snel schakelen en creatief zijn.”