Sociale hulpverlening – bijvoorbeeld aan mensen met een verstandelijke handicap, ouderen met dementie of mensen met een psychiatrische aandoening – werkt beter als niet alleen de cliënt, maar ook diens ouders of mantelzorgers worden betrokken. Hoe ziet goede samenwerking eruit?

Te veel richten op een syndroom of aandoening

‘De cliënt staat centraal’: die visie vat de zorg van de afgelopen twintig jaar goed samen. In eerste instantie valt daar niet veel op af te dingen: de cliënt is immers degene die baat moet hebben bij de zorg. Maar de valkuil van erg inzoomen op de cliënt is dat hulpverleners zich te veel richten op een syndroom of aandoening, en weinig oog hebben voor de hele persoon, laat staan voor diens omgeving. Door de hervormingen in het zorgstelsel in 2006, werd de rol van ouders en mantelzorgers in het zorgproces steeds prominenter. Toen koning Willem-Alexander in zijn troonrede van 2013 zei dat Nederland van een verzorgingsstaat verandert in een ‘participatiesamenleving’, kon niemand er meer omheen: zorg vindt plaats in een driehoeksrelatie tussen cliënt, ouders en hulpverlener.

‘Driehoekskunde’

Dat aandacht voor de ouders een ‘trend’ is, merkt orthopedagoog Chiel Egberts goed. Hij bedacht halverwege de jaren negentig hoe zorgverleners optimaal kunnen samenwerken met ouders van kinderen met een verstandelijke beperking. Sindsdien geeft hij trainingen ‘driehoekskunde’ aan zorgprofessionals en –organisaties. Driehoekskunde is ook toepasbaar in de ouderenzorg, jeugdzorg en psychiatrie.

Driehoekskunde begint volgens Egberts met de simpele vaststelling dat cliënten in de eerste plaats kind van hun ouders zijn en blijven. Zij vertrouwen hun kind toe aan vreemden. De eerste vraag voor begeleiders is dus: hoe win en behoud ik het vertrouwen van deze ouders? Belangrijk is vervolgens dat de drie hoeken in de driehoek een gelijkwaardige relatie hebben en een gelijke inbreng. Als een hoek dominant is, ontstaat er disbalans: bijvoorbeeld als de bedtijden van bewoners worden bepaald door dienstroosters van medewerkers, of als ouders zó mondig worden dat ze de begeleider gaan voorschrijven wat deze moet doen. Dat laatste maakt Egberts de laatste jaren steeds vaker mee. “Waar ik voorheen vaker moest opkomen voor de ouders, doe ik dat nu voor de hulpverlener. Ik pleit daarom voor een herwaardering van professionaliteit.”

Egberts leert zijn cursisten om de loyaliteit tussen ouders en kind als uitgangspunt te nemen en te beseffen dat zij zelf ‘passanten’ zijn. De basis is vertrouwen. “Ouders vertrouwen de hulpverlener hun kind toe; professionals moeten laten zien dat ze betrouwbare hulpverleners zijn door te doen wat ze beloven en door te investeren in de relatie met ouders.”

Gehechtheid

Een goede relatie tussen ouders en kind is niet alleen belangrijk voor het kind zelf, het bevordert ook het effect van hulptrajecten. Samenwerken in de driehoek wordt bemoeilijkt als de ouder-kindrelatie slecht is, stelt hoogleraar orthopedagogiek Carlo Schuengel van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Schuengel doet onderzoek naar de invloed van opvoeding en zorg op de ontwikkeling van kinderen.

Veilige gehechtheid is een belangrijk onderdeel van een goede ouder-kindrelatie. Dat wil zeggen dat kinderen op hun ouders kunnen terugvallen in tijden van angst en nood, en dat kinderen volop steun ervaren van hun ouders in hun ontwikkeling. De kwaliteit van gehechtheid draagt mede bij aan het leren omgaan met emoties en stress en met relaties met anderen.

“Als kinderen niet goed aan hun ouders duidelijk kunnen maken waar ze behoefte aan hebben, of ouders pikken deze signalen niet goed op, dan zullen professionals meer moeten doen om de samenwerking tot een succes te maken”, stelt Schuengel. Zijn onderzoeksgroep heeft als uitgangspunt dat hulpverleners die kinderen met een beperking of aandoening willen helpen, in de eerste plaats nadenken over hoe zij de ouders kunnen ondersteunen. “Wat heeft het kind van de ouders nodig en wat hebben de ouders nodig van hulpverleners om dit mogelijk te maken? Door de ouders te helpen, help je ook het kind.”

Ouders betrekken

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat het betrekken van de ouders betere resultaten oplevert. Een van de studies van de onderzoeksgroep van Schuengel ging over een cursus voor chronisch zieke kinderen om beter te leren omgaan met situaties als doktersbezoeken en afwezigheid van school. Die cursus wordt normaal gesproken alleen aangeboden aan kinderen; in het onderzoek deden van een bepaalde groep kinderen ook de ouders mee. Zij kregen dezelfde cursus als hun kind, plus tips over hoe zij hun kind konden ondersteunen in het toepassen en volhouden van de vaardigheden.

Het bleek dat de kinderen van wie de ouders ook werden betrokken op de lange termijn minder last hadden van angst of somberheid, dan de groep kinderen van wie de ouders geen cursus kreeg. “Ouders gaan verschillend om met bijvoorbeeld artsbezoeken”, legt Schuengel uit. “Sommige ouders praten over het hoofd van het kind heen met de arts, waardoor het kind geen vragen kan stellen. Of ze laten het kind het zelf doen, maar zien niet of het kind het wel begrijpt. De cursus laat zien hoe ouders hun kind het beste kunnen steunen.”

‘Puberende’ cliënten

Inmiddels is Egberts bij de meeste zorginstellingen geweest om medewerkers te trainen in driehoekskunde. Het belang van het betrekken van de ouders is dus wel bekend, denkt hij. Toch is het moeilijk om de driehoekskunde ‘in het DNA van de begeleiders en van de organisatie’ te krijgen.

Vooral als het spannend wordt in een driehoek, bijvoorbeeld als ouders veeleisend zijn of als cliënten zich afzetten tegen hun ouders, vallen begeleiders terug in automatismen en kiezen ze voor ‘hun’ cliënt en tegen ouders. Egberts: “Als verstandelijk beperkte cliënten ontdekken dat ze ook los van hun ouders iets mogen vinden, is dat een heftig proces dat veel emoties met zich meebrengt. Ga als hulpverlener die autonomie niet stimuleren, maar zorg ervoor dat de relatie tussen ouders en jou goed blijft en creëer goede voorwaarden. Puberen moet iedereen zélf doen.”