De nieuwe regelgeving rondom passend onderwijs vraagt om een herinrichting van de zorginfrastructuur, zowel binnen het speciaal onderwijs als in het reguliere onderwijs.

Verandering passend onderwijs

Guuske Ledoux is projectleider Evaluatie Passend Onderwijs en wetenschappelijk directeur van het Kohnstamm Instituut, een van de zeven onderzoeksbureaus die de ontwikkelingen in het passend onderwijs evalueert. “Wij zien dat er – ook drie jaar na dato – nog veel moet gebeuren om de rol en vooral verwachtingen van leraren goed te laten aansluiten op de nieuwe doelstellingen.” Grote verschuivingen in aantallen zorgleerlingen ziet Ledoux niet. Uit onderzoek blijkt dat leraren, zowel vóór als na de invoering van de Wet Passend Onderwijs, ongeveer 20 procent van de leerlingen
aanmerken als ‘zorgleerling’. Ook is er geen sprake van een overdreven grote oversteek van zorgleerlingen van speciaal onderwijs naar het reguliere onderwijs. Wel ziet Ledoux dat er in de perceptie van de leraar een en ander is veranderd: “Je hoort dat leraren zich door de nieuwe invulling van passend onderwijs zwaarder belast voelen dan voorheen.” Dat komt volgens haar misschien doordat de samenwerkingsverbanden van scholen nu echt zelf verantwoordelijk zijn geworden voor de hele organisatie en invulling van het passend onderwijs. De bureaucratie lijkt hierdoor eerder toegenomen dan afgenomen. Ledoux: “Bovendien wekt de term ‘passend onderwijs’ hoge verwachtingen, zowel bij leraren als ouders.”

Geldverdeling

Albert Boelen, beleidsadviseur en expert bij het Landelijk Expertisecentrum Speciaal Onderwijs (LECSO) en de PO-Raad, herkent dit beeld en constateert dat de pedagogische zorgstructuur van scholen nog is achtergebleven. Het gevolg is dat op reguliere scholen, maar ook binnen het speciaal onderwijs, het gevoel leeft dat men nu iets moet doen waartoe men niet in staat is. Volgens Boelen besteedt de klassieke lerarenopleiding nog steeds te weinig aandacht aan voorbereiding op het begeleiden van kinderen die extra steun nodig hebben. “Wat we zien is dat het aantal kinderen in speciaal onderwijs juist weer aan het toenemen is. Dat was niet de gedachte en het zegt iets over de onzekerheid bij reguliere scholen over hun zorgtaak.” Ook voor het speciaal onderwijs is het een lastige tijd, want de bekostiging is wel aangepast aan het idee dat er meer zorg verschuift naar het reguliere onderwijs. Boelen: “Er ontstaat binnen sommige samenwerkingsverbanden nu spanning over geldverdeling tussen speciale en reguliere scholen – en dat is juist niet waar het om moet gaan.”

Brandjes blussen

Volgens Boelen ligt de oplossing voor de zorgdruk binnen het passend onderwijs in de vroege schoolcarrière van een kind: “We kijken nu vooral naar ‘de achterkant’ (de oudere kinderen) omdat de problemen daar vaak acuut en ernstig zijn, maar als dit ten koste gaat – en dat gaat het nu – van preventie ‘aan de voorkant’ (de jonge kinderen), dan blijven we de komende jaren brandjes blussen.” Ledoux ziet ook veel goed gaan: “De resultaten wisselen nogal per regio en per school. Lokale spelers hebben veel vrijheid en je ziet dat terug in de normen die men hanteert voor wie als ‘zorgleerling’ wordt aangemerkt. Uiteindelijk is het aan de samenwerkingsverbanden en de schoolbesturen hoe men de rol van de leraar invult – en hoe men hem faciliteert.”