De traditionele psychiatrie draait om het wegnemen van klachten en het leren leven met een psychische aandoening. De positieve psychologie gaat een stap verder: hoe kan iemand niet alleen ‘leren leven met’, maar de koe bij de horens vatten en zich verder persoonlijk ontwikkelen ondanks zijn of haar aandoening?

Helemaal nieuw is de toepassing van positieve psychologie niet. Halverwege de vorige eeuw had de Amerikaanse psycholoog Abraham Maslow het ook over ‘positieve psychologie’ wanneer hij over zijn werk sprak. Het bekendste voorbeeld uit 1943 waarin zijn humanistische denkwijze tot uiting kwam, is de behoeftehiërarchie, ook wel de Piramide van Maslow genoemd.

In deze theorie beschrijft Maslow de vijf universele behoeften die elk mens op deze wereld volgens hem nastreeft, beginnend bij de basale behoefte aan bijvoorbeeld eten, zuurstof en fysiek contact tot aan de drang tot zelfontplooiing.

Het is precies waar ook de huidige positieve psychologie om draait: aandacht besteden aan de emoties en kracht van een cliënt en kennis opdoen over de condities waaronder hij of zij een goed en plezierig leven meent te leiden. Het einddoel is dat iemand weer tot bloei komt en zich (verder) kan gaan ontwikkelen.

Niet tastbaar

Een mentaal herstelproces is in de meeste gevallen niet te vergelijken met de genezing van bijvoorbeeld een gebroken been. Als iemand klachtenvrij is, hoeft dat namelijk nog helemaal niet te betekenen dat hij of zij ook weer gelukkig in het leven staat en volwaardig kan functioneren.

De principes van de positieve psychologie gaan daarom veel verder dan alleen het analyseren en bestrijden van klachten en symptomen – veel belangrijker is hoe iemand het leven weer kan oppakken na het ziektebeeld. Een ondergeschoven aandachtsgebied, vindt Jan Walburg, hoogleraar positieve psychologie aan de Universiteit Twente.

Een mens is niet alleen zijn of haar probleem, stelt hij, maar een optelsom van problemen, talenten en vaardigheden. In een gezondheidszorgdomein dat hoofdzakelijk ingericht is op het zoeken van problemen en het op de voorgrond zetten van ziekten en aandoeningen, is het voor patiënten en cliënten moeilijk om langs de ziekte te kijken en te zoeken naar ‘normale’ vaardigheden. “Als een cliënt twee uur lang praat over zijn of haar klachten, komt hij of zij dat gesprek uit met het gevoel dat de problemen gigantisch zijn en dat het nooit meer goedkomt.”

Verbinding lichaam en geest

Behandelaren zouden daarom juist een motiverende voedingsbodem moeten creëren voor een mentaliteitsslag, stelt Walburg. Hij ziet dit langzaamaan wel gebeuren onder specialisten in de ggz (geestelijke gezondheidszorg), maar nog maar mondjesmaat.

Dit terwijl in de gehele gezondheidszorg inmiddels meermaals is bewezen dat lichaam en geest één zijn als het gaat om zowel fysieke als mentale gezondheid. Om deze reden is het belangrijk om voor iemand een duidelijk doel te stellen om naartoe te werken vanuit het psychiatrisch traject.

Mentaal welbevinden kan namelijk leiden tot afname van lichamelijke klachten, stelt ook Linda Bolier, wetenschappelijk medewerker bij het programma Publieke Geestelijke Gezondheid van het Trimbos-instituut. Het belang van deze manier van cliënt/patiëntbenadering ligt daarom ook bij de preventiekant.

Wie zich goed voelt en structureel een gelukkig gevoel heeft, hoeft minder fysieke moeite te doen om gezond te blijven. Natuurlijk blijft gezond eten en bewegen essentieel voor een goede gezondheid, maar ook op mentaal gebied is er veel mogelijk.

Bolier stelt daarom dat mensen er goed aan zouden doen om elke dag ook even stil te staan bij de mentale gezondheid door bijvoorbeeld een moment van reflectie in te lassen en te analyseren wat er op een dag allemaal goed is gegaan en waar iemand tevreden over is en waarover juist niet.

Behandel met mate

Bolier benadrukt wel dat een benadering vanuit de positieve psychologie, met name bij cliënten met complexe problematiek, voorzichtig moet worden toegepast. Zeker bij een depressie, psychose of schizofrenie kan een directe positieve benadering erg confronterend zijn, vertelt ze.

“Als iemand echt in een andere wereld zit, is het natuurlijk moeilijk om daar direct omheen te behandelen. Dan is het zaak om eerst aandacht te besteden aan klachtenbestrijding. Als de mentale toestand stabieler is, kun je langzaam kijken naar de toekomst en gaan werken aan positieve emoties.” Daarbij is het belangrijk vooral te kijken naar wat een cliënt zelf kan doen en hem of haar de regie terug te geven over het eigen leven. De positieve psychologie sluit daarom goed aan op de herstelbeweging die de laatste jaren is opgekomen binnen de ggz.

Begin in de behandelkamer

Een herstelgerichte behandeling is inderdaad net zo belangrijk als het aanwakkeren van positieve gevoelens en het zoeken van talenten, zegt Evelien Brouwers, senior onderzoeker bij Tranzo,

Tilburg University. Des te vervelender is het, stelt ze, dat stigmatisering nog steeds een grote rol speelt bij resocialiseren en (arbeids)participatie. Een (betaalde) baan is van groot belang voor het herstel van mensen met een psychische aandoening, maar hardnekkige vooroordelen van werkgevers vormen een barrière op de arbeidsmarkt en kunnen uiteindelijk leiden tot zelfstigmatisering.

Het bespreken van hoe om te gaan met stigma zou al in de behandelkamer moeten beginnen, nog voordat een werkgever kan oordelen, zegt Brouwers. Behandelaren moeten zich bewust worden van de stigmatisering die leeft in onze maatschappij en zelf ook afstappen van vooroordelen en lage verwachtingen.

Dit heeft te maken met het vertekend beeld dat behandelaren krijgen van een cliënt, denkt Brouwers. “Specialisten zien cliënten vaak alleen wanneer het slecht met ze gaat.” Ervaringsdeskundigen zouden volgens haar daarom van grote toegevoegde waarde kunnen zijn bij de behandeling van een psychische aandoening. Zij kunnen een cliënt, door het delen van dezelfde gevoelens en ervaringen, beter een spiegel voorhouden.

Stereotypering

Brouwers destilleert drie redenen waarom stigma een probleem vormt voor arbeidsparticipatie. Ten eerste constateert ze dat veel werknemers niet over hun psychische gezondheidsproblemen durven te praten. Hierdoor krijgen ze vaak niet de professionele zorg die ze nodig hebben.

Zo wordt werkgevers en werknemers de kans ontnomen langdurig uitval te voorkomen. Daarnaast kan hierdoor niet gekeken worden naar mogelijke aanpassingen die kunnen worden gedaan om het werk voor de werknemer te versoepelen. Voor werkgevers is daarom een belangrijke rol weggelegd om een werkcultuur te scheppen waarin werknemers zich vrij voelen om zich over hun mentale gezondheid te uiten.

Ten tweede blijkt uit onderzoek dat werkgevers en leidinggevenden daadwerkelijk een negatieve, stereotyperende beeldvorming hebben van mensen met een psychische aandoening. De vooroordelen die heersen zijn dat deze mensen minder productief zijn, meer kans op uitval hebben en een gevaar kunnen vormen voor klanten, collega’s en zichzelf.

Daarnaast zouden ze niet betrouwbaar en onvoorspelbaar kunnen zijn. Deze vorm van stigmatisering beïnvloedt het aannamebeleid in Nederland in negatieve zin, stelt Brouwers. Ten derde concludeert ze dat het zelfstigma, dat meestal voortvloeit uit stigmatisering door de omgeving, een belangrijke reden is voor belemmering op de arbeidsmarkt.

Mensen met een psychische aandoening gaan negatieve stereotypen op zichzelf projecteren en verliezen, in combinatie met een laag zelfbeeld, de moed om het te blijven proberen. ‘Het heeft toch geen zin’, ‘ik kan niets’ en ‘ik maak geen kans’ zijn gedachten die er regelmatig voor zorgen dat mensen in een sociaal isolement terechtkomen en niets meer ondernemen.
Stigmatisering wordt gezien als een proces van drie delen, legt Brouwers uit.

De eerste stap is en gebrek aan kennis of onjuiste kennis. Op basis van deze onjuiste kennis worden vervolgens, bij wijze van tweede stap, stereotypen en vooroordelen vastgesteld. Deze zijn bij stigmatisering altijd negatief. De derde stap is dat men zich hiernaar gaat gedragen. Bij deze stap spreken we al van discriminatie.

De cliënt aan zet

Het afstand nemen van bestaande stigma’s vergt een open houding en goede samenwerking van onder anderen behandelaren, bedrijfsartsen en werkgevers/ leidinggevenden, stelt ook Walburg. Samen moet gekeken worden naar wat een individu kan bijdragen aan de organisatie.

Vervolgens moet bestudeerd worden onder welke condities hij of zij het beste kan functioneren en hoe, al dan niet ondersteund, de meest optimale bijdrage geleverd kan worden. Iedereen heeft namelijk zijn eigen kracht, meent Walburg. “Mensen met autisme zijn bijvoorbeeld enorm goed in het zich langdurig concentreren op de oplossing van kleine problemen.

Zij zijn daarom erg gewild in de computerindustrie, waar normaal begaafden zich al snel vervelen.” Bij het zoeken naar een geschikte werksituatie is het in elk geval van de wensen van de cliënt zwaar mee te wegen. Voor sommigen is het inventariseren daarvan een kwestie van eenvoudig oplepelen, zegt Walburg, terwijl het bij anderen wat dieper graven is.

Bij bepaalde cliënten zal het bijvoorbeeld lonen om eens te bestuderen wat hen in het verleden plezier heeft gebracht en in welke perioden van hun leven zij het gelukkigst waren. “Als het lukt om werk te vinden dat aansluit op deze gelukkige herinneringen en sterke punten van een cliënt, met voorbijgaan aan mogelijke handicaps en problemen, is de kans het grootst dat iemand zich met plezier zal ontplooien en de psychische problematiek naar de achtergrond verdwijnt.”