Wetenschappelijk onderzoek in de psychiatrie is zeer waardevol, maar in de praktijk niet op elke patiënt toepasbaar. Om deze reden is het van belang ook studies binnen complexe doelgroepen te verrichten, zegt Rian Busstra, psychiater en hoofd behandelzaken bij de Forensisch Psychiatrische Kliniek van GGZ Drenthe.

Als TOP-ggz afdeling doen jullie onderzoek in de praktijk. Hoe zijn jullie onderscheidend hierbij?

“Veel wetenschappelijk onderzoek richt zich op specifieke stoornissen en de behandeling daarvoor. Dergelijke studies zijn nuttig, maar bij patiënten met meerdere stoornissen, gevaarlijk gedrag en motivatieproblemen slechts deels toepasbaar. Daarnaast zijn er patiëntengroepen, zoals brandstichters, waar nog zeer weinig onderzoek naar is gedaan. De reden hiervoor is dat er in de meeste instellingen te weinig van deze cliënten worden opgenomen. Bij GGZ Drenthe richten wij ons zowel op onderzoek naar patiëntengroepen waarvoor nog onvoldoende behandelingen voorhanden zijn, als op studies naar de meest passende therapie voor complexe patiënten met combinaties van stoornissen en hoge risico’s. Bij deze laatste groep is het onderzoek naar transdiagnostische symptomen erg interessant. Dit zijn verschijnselen die bij verschillende aandoeningen voorkomen, zoals slaapproblemen. Met het adequaat behandelen van deze klachten, kan vaak al een duidelijke verbetering optreden op meerdere levensgebieden. Ook heeft het een positief effect op andere therapieën. Wij onderscheiden ons door bij alle patiënten veel meer metingen te doen dan enkel de reguliere Routine Outcome Monitoring-vragenlijsten om de effecten van behandelingen op het spoor te komen. Zo brengen we altijd eerst de ernst van de klachten en specifieke risico’s in kaart. Jaarlijks worden de veranderingen in scores op deze lijsten teruggekoppeld naar onze behandelteams. Op deze manier krijgen we zicht op welke effecten de behandelingen kunnen hebben en de verschillen tussen afdelingen. Hieruit kunnen vervolgens aandachtspunten naar voren komen, zoals aanpassing van het behandelaanbod of onderwerpen die nader onderzoek behoeven.”

Hebben jullie voorbeelden van lopende projecten?

“Momenteel zijn we bezig met de ontwikkeling van een richtlijn voor het signaleren en behandelen van slaapproblemen op klinisch forensische behandelafdelingen. Daarin werken we samen met een aantal andere Nederlandse forensische instellingen. Ook bestuderen we of cognitieve gedragstherapie voor slaapproblemen impulsiviteit en agressie kan verminderen. Als vervolg op ons brandstichtersonderzoek zijn we de effectiviteit van een behandelprotocol voor brandstichters aan het bekijken. Een ander voorbeeld van een lopend project betreft een studie naar de effectiviteit van een behandeling voor persoonlijkheidsstoornissen bij nieuwe doelgroepen. Deze heet mentalization-based treatment. Het vermogen tot mentaliseren, ofwel het kunnen nadenken over je eigen of andermans gedrag als voortkomend uit emoties en gedachten, is bij veel stoornissen sterk verminderd. Dit belemmert veelal ook het vermogen om een werkrelatie met een behandelaar te onderhouden, waardoor een behandeling moeilijk van de grond komt. We verwachten dat de verbetering van het mentaliserend vermogen een positief effect zal hebben op meerdere levensgebieden en het risico op delicten zal verkleinen.”

Waarom komt er steeds meer druk op deze werkwijze te staan?

“Het is moeilijk om voldoende geld vrij te maken voor onderzoek en innovatie, wegens de smalle marges van grote ggz-instellingen. Hoewel academische centra van zorgverzekeraars extra geld krijgen voor studies, ontvangen ggz-instellingen met een TOPGGz keurmerk dit niet. Een situatie die wij betreuren en onterecht vinden. Als oplossing proberen we om zelf fondsen te werven, maar de mogelijkheden hiervoor zijn schaars. Gelukkig investeert het ministerie van Justitie en Veiligheid in onderzoek naar de kwaliteit van forensische zorg middels calls, uitgezet door de afdeling Kwaliteit Forensische Zorg.”