Een ICD wordt vaak ingebracht bij mensen met een verhoogd risico op een hartritmestoornis, of bij hen die er ooit door zijn getroffen. Zo kan men onvoorspelbare ritmestoornissen corrigeren, en op die manier plotse hartdood voorkomen. Dr. Reinoud Knops bespreekt de laatste ontwikkelingen, evenals de overwegingen voor de keuze tussen een ICD en een S-ICD.

Wat is een ICD?

“ICD staat voor Implanteerbare Cardioverter Defibrillator, een inwendige defibrillator voor mensen met gevaarlijke, onvoorspelbare hartritmestoornissen. Als een dergelijke stoornis door de ICD wordt geconstateerd, geeft hij een stroomstoot van zo’n 700 tot 1.000 volt af om het hart weer in het gareel te krijgen en zo een hartstilstand te voorkomen.

Een ICD bestaat uit een kastje met batterij en een elektrische draad die in het hart wordt gelegd. Om een ICD aan te brengen moest je voorheen een openhartoperatie ondergaan, sinds het begin van de jaren 90 gebeurt het minimaal invasief. Het kastje wordt dan onderhuids aangebracht onder het sleutelbeen.”

Wat is het nadeel van dit systeem?

“De draad is de zwakke schakel, omdat hij vergroeit met het hart. Het inbrengen van de draad is al tamelijk risicovol, je kunt door het hart prikken zodat een bloeding ontstaat of de draad kan breken. Na 10 tot 15 jaar is de draad meestal stuk en aan vervanging toe. Maar omdat die draad vergroeid is, is dat een risicovolle en complexe operatie.”

Sinds 2009 is de S-ICD op de markt. Wat is het verschil met de ICD?

“De S staat voor subcutaan, onderhuids. Het kastje ligt onder de arm op de ribben, de draad ligt vlak naast het borstbeen, dus niet in het hart. Omdat die draad niet in het hart ligt, moet de stroomstoot wel iets groter zijn. Dat vraagt weer meer stroom; dus een grotere batterij en een iets groter kastje. Een S-ICD is net zo effectief. Ik heb nog nooit meegemaakt dat een draad van een S-ICD spontaan kapot ging. De draad van een S-ICD kan namelijk iets dikker en minder flexibel zijn, want hij hoeft niet mee te bewegen met het hart. Door de plaatsing van het kastje en de draad heeft een S-ICD minder te lijden van lichaamsbewegingen.”

Waar zou een patiënt voor moeten kiezen?

“Een traditionele ICD heeft ook een pacemakerfunctie, dus als het hart te traag zou gaan, kan een dergelijke ICD het hart stimuleren met kleine elektrische pulsen. Dat kan een S-ICD niet. Onze ervaring is dat de meeste patiënten die een ICD nodig hebben, helemaal geen pacemakerfunctie nodig blijken te hebben. Dit wordt in het teamoverleg goed besproken. Omdat een S-ICD minder invasief is, zou die als eerste optie bekeken moeten worden of hij voor de patiënt in kwestie geschikt is. Als blijkt dat er ook sprake is van trage hartritmes of een andere noodzaak om een pacemakerfunctie te gebruiken, dan is de conventionele ICD een betere optie. Zeker bij jonge en actieve mensen alsmede bij mensen met een goede levensverwachting is de S-ICD de eerste keuze. In de ESC-richtlijnen wordt de S-ICD ook duidelijk neergezet als alternatief voor de ICD. Het is aan arts en patiënt om daar een keuze in te maken.”