Het opvoeden van een kind, en de ondersteuning bij het opgroeien, wordt door de meeste ouders als een mooie ervaring gezien. Niet alle kinderen en ouders hebben het echter getroffen; soms kan opvoeden moeizaam verlopen, waardoor gezinnen hulp nodig hebben. In eerste instantie wordt dan een beroep gedaan op het eigen systeem. Mocht dit netwerk niet kunnen helpen, dan kan het nodig zijn om het systeem van het kind uit te breiden.

Oorzaken van moeizame opvoeding

Er zijn verschillende oorzaken te bedenken waarom de opvoeding van kinderen niet zo makkelijk verloopt. “Er kan sprake zijn van agressie of alcoholgebruik van ouders, maar ook externaliserende problemen of depressieve klachten, eenzaamheid en lage zelfwaardering, de internaliserende problemen van het kind, kunnen een rol spelen”, vertelt Ron Scholte, bijzonder hoogleraar Jeugdzorg aan de Radboud Universiteit. Hedwig van Bakel, bijzonder hoogleraar Infant Mental Health bij Tilburg University, vult aan dat het soms het gevolg is van problemen in de ontwikkeling, zoals een taal- of motorische achterstand of een psychische beperking. Ook een slechte ouder-kindrelatie kan problemen in het gedrag veroorzaken.

Nieuwe jeugdwet

Wanneer gedrags- en opvoedproblemen zich voordoen, kan het nodig zijn dat het gezin hulp krijg van buitenaf. Met de inwerkingtreding van de Jeugdwet op 1 januari 2015 is de wetgeving omtrent jeugdhulp veranderd. In deze wet staat dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de hulp aan en ondersteuning van kinderen en jeugdigen. Hier is voor gekozen omdat zij zorg dichter bij de inwoners kunnen organiseren, maar ook eenvoudiger en goedkoper, zo leert de website van de Rijksoverheid. De nieuwe wet heeft als doel het inschakelen en versterken van het probleemoplossend vermogen van kinderen, hun ouders en hun sociale netwerk. “De doelstelling van de wet is het bieden van zo laag mogelijke zorg, zo vroeg mogelijk, waarbij informele netwerken een grote rol spelen”, weet Scholte. Jeugdhulp moet daarom draaien om de eigen kracht en regie, en kinderen moeten samen met hun eigen omgeving en hulpverleners oplossingen zoeken voor de problemen waar zij tegenaan lopen.

Systeemgerichte aanpak bij jeugdhulp

Van Bakel vertelt dat men bij jeugdhulp vroeger vaak één probleem per keer oppakte, zoals bijvoorbeeld het weerbaarder maken van een kind, het behandelen van een psychische stoornis of het verbeteren van de ouder-kindrelatie. Nadat men dit probleem had ‘aangepakt’, werd het kind weer naar huis gestuurd en kwam het terug in de oude situatie, waardoor de problemen zich weer konden voordoen. “Dan was men niet bezig met het oplossen van het kernprobleem, maar enkel met symptoombestrijding.” Nu er meer wordt gefocust op de eigen kracht van het gezin en diens omgeving, wordt er gekeken naar hoe het hele systeem – de familie, de school en de wijk – functioneert en of daar iets moet worden aangepast.

Daarnaast wordt er gekeken hoe dit systeem de ouders kan ondersteunen bij de zorg voor hun kind. Dit wordt systeemgerichte zorg genoemd. Bij deze zorg gaat de professional naar het gezin toe en kijkt naar hoe het thuis functioneert. Hierbij wordt het gehele sociale netwerk meegenomen en wordt gekeken naar waar de knelpunten en naar de krachten. Het gezin mag vervolgens beslissen wie de relevante mensen binnen het netwerk zijn; wie zij graag willen inzetten als hulp. Dit mag iedereen zijn en kan op allerlei manieren vorm krijgen. Als voorbeelden noemt Scholte het wegbrengen van kinderen naar sport of het helpen met huiswerk, maar ook het in huis nemen voor een weekend, allemaal om de ouders te ontzien en stress weg te halen.

De eerste screening

Het is wel belangrijk om te realiseren dat deze systeemgerichte aanpak niet in plaats van cliëntgerichte zorg komt, die specifiek focust op het kind. Van Bakel: “Je moet je niet richten op een van de twee. Als het probleem echt in het kind zelf zit, heeft het minder zin om alleen het systeem te ondersteunen.” Er moet daarom altijd gekeken worden naar welke vaardigheden bij het kind aanwezig zijn en hoe en waar het systeem het kind kan ondersteunen. De vraag is hoe dit moet worden vormgegeven. Van Bakel pleit voor het inzetten van echte specialisten. Wijkteams en consultatiebureaus moeten volgens haar over goede handvatten en expertise beschikken om die eerste screening te kunnen doen: “Als je mensen in kunt zetten die de verschillende factoren goed uit elkaar kunnen halen, dan win je al heel veel doordat je sneller het te bewandelen pad kunt kiezen.”

Daarbij is het belangrijk om te kunnen oordelen wanneer zorg moet worden opgeschaald, dit zal het geval zijn wanneer het gezin en diens systeem het niet meer aankunnen, of juist afgeschaald, wanneer het gezin het zelf weer aankan. Wat er ook besloten wordt, volgens Scholte moet dit gebeuren in overleg met de cliënt, zodat er altijd een balans zal ontstaan tussen systeem-én cliëntgerichte zorg.

Weg uit het gezin

Soms is de problematiek zo groot, dat het gezin en diens systeem de zorg over het kind niet meer aankunnen, of zijn de ouders zelf onderdeel van het probleem. Zo kunnen zij kampen met alcohol- of drugsmisbruik, financiële moeilijkheden of een relatie met veel geweld, waardoor gevaarlijke situaties voor het kind kunnen ontstaan. In die gevallen kan het nodig zijn om het kind (tijdelijk) uit huis te plaatsen. “Bij ruim 60 procent van de situaties waarbij besloten wordt dat een kind voor langere tijd buiten het eigen gezin moet worden opgevangen en begeleid, is bij dat besluit ook de kinderrechter betrokken”, licht John Goessens, voorzitter van het landelijk overleg managers pleegzorg bij Jeugdzorg Nederland, toe. Het komt echter ook voor dat ouders zelf aangeven niet voor hun kind te kunnen zorgen omdat de gedragsproblematiek van het kind te groot is voor het gezin. Wanneer dit het geval is, kunnen pleeggezinnen, gezinshuizen of instellingen de opvoeding overnemen.

Welke reden een uithuisplaatsing ook heeft, er moet altijd direct gekeken worden naar wat er moet gebeuren om het kind terug te laten keren bij zijn/haar ouders, benadrukt Els Rienstra, portefeuillehouder pleegzorg en gezinshuiszorg bij Jeugdzorg Nederland. Als het maar enigszins mogelijk is, moeten de ouders altijd betrokken blijven in het leven van hun kind, evenals het systeem waarbinnen het gezin functioneert, zoals de school en de buurt. Ondanks dat terugkeren altijd een eerste optie is, keert slechts een derde van de kinderen die uit huis worden geplaatst uiteindelijk terug naar het eigen gezin. Voor de overige twee derde is het belangrijk om zo snel mogelijk te weten dat terugkeren niet mogelijk is. Dit moet zo snel mogelijk helder zijn, zodat het kind weet waar het kan blijven wonen; dit wordt een opvoedingsbesluit genoemd. Dit brengt rust en zorgt ervoor dat het kind kan wennen aan de nieuwe situatie.

Een (tijdelijk) nieuw huis

Het is voor ieder kind het beste om op te groeien in een zo normaal mogelijke gezinssituatie, waar het zo goed mogelijk het eigen leven kan blijven leven. Daarom is de eerste optie bij uithuisplaatsing het onderbrengen bij een pleeggezin. Rienstra vertelt dat in eerste instantie wordt gekeken of het kind pleegzorg kan krijgen binnen het eigen systeem, zoals bij oma en opa, bij de buren of bij iemand van school. “Dit noemen we netwerkpleegzorg. Het kind wordt pas uit de eigen omgeving gehaald als het een verkeerde omgeving is voor het kind.” Als dit het geval is, dan kan het kind opgenomen worden door een gezin dat openstaat voor pleegkinderen.

Rienstra: “Dit zijn mensen die ervoor kiezen hun leven open te stellen voor andere kinderen. Het zijn mensen met een groot hart, die bewust deze complexe opgave aangaan.” Want, zo legt ze uit, naast het feit dat het in huis nemen van kinderen het leven van de familie kan verrijken, kan het ook af en toe ingewikkeld zijn. Als je als pleegouder een kind in huis neemt, krijg je automatisch diens hele familie en omgeving erbij, en als deze onderdeel van het probleem zijn, kan dat grote druk uitoefenen op het pleeggezin.

Wanneer er sprake is van erg complexe problematiek, zoals hechtings- of psychische problemen, waardoor er te veel van een pleeggezin zou worden gevraagd, kan een kind worden geplaatst in een gezinshuis. “Daar waar pleegouders de kinderen inpassen in hun eigen leven, gooien gezinshuisouders hun hele leven om”, vertelt Goessens. Gezinshuisouders zijn professionals, waarvan hun hele leven in het taken staat van het bieden van een stabiele en rustige plek aan de kinderen in het huis. Veel kinderen die in een dergelijke familie terechtkomen, hebben al veel verschillende woonplekken gehad en hebben telkens te horen gekregen dat ze daar niet konden blijven. Het gezinshuis is een plek waar deze kinderen wel kunnen blijven, ook als het echt lastig wordt. Dit geeft deze kinderen, die het vaak al heel moeilijk hebben gehad, het gevoel er weer te mogen zijn, verklaart Goessens.

Het ‘in koers’ houden

Er mogen zijn en het aangaan van persoonlijke verbindingen, relaties met andere mensen, behoren tot de kernwaarden van een mensenleven, en dat geldt ook voor kinderen. Wanneer men deze verbindingen niet heeft, kan men uit koers raken, vertelt Goessens. “Delinquent betekent niet voor niets niet-verbonden.” Iedereen heeft iemand nodig bij wie hij/zij terecht kan met angsten en vragen. Het bieden van deze verbindingen aan kinderen – of dat nu binnen het eigen gezin en systeem is, of binnen de pleegzorg of een gezinshuis – zal hen niet alleen een gevoel van geborgenheid geven, maar kan ook helpen bij het ‘in koers’ blijven. “Als wij als maatschappij, door het inzetten van pleegzorg of gezinshuiszorg, die geborgenheid kunnen meegeven aan kinderen die juist op dat gebied tekort zijn gekomen, winnen we heel veel voor deze kinderen én voor de samenleving.”