Begin jaren tachtig van de 20e eeuw veranderde het sociale landschap in Nederland drastisch. Vrouwen meldden zich massaal op de arbeidsmarkt, waarmee in ongeveer hetzelfde tempo de vraag naar kinderopvang steeg. De sector heeft zich sindsdien flink ontwikkeld, maar kent soms nog te veel het imago van ‘het kind bezighouden terwijl de ouders werken’.

Onterecht, want op kinderopvangcentra is er juíst aandacht voor de ontwikkeling en stimulans van het individuele kind in die eerste vier cruciale levensjaren. Deze aandacht bepaalt mede het functioneren van een persoon in zijn of haar verdere leven. Ondanks deze positieve ontwikkeling zijn er echter nog belangrijke stappen te zetten.

Empatisch vermogen

Het belangrijkste dat je een kind kunt leren? Het empathisch kunnen functioneren in samenwerkingsprocessen, stelt Felix Rottenberg, voorzitter Brancheorganisatie Kinderopvang. “Wanneer je ‘gunnen en delen’ op heel jonge leeftijd meekrijgt, creëer je democratisch burgerschap. In feite ben je in de kinderopvang bezig met het vormen van de maatschappij.” Toch blijkt er minder aandacht voor deze groepsprocessen dan men zou verwachten, concludeert pedagoog Mireille Aarts.

Voor haar promotieonderzoek onderzocht zij het groepsfunctioneren op Nederlandse kinderdagverblijven. Daaruit bleek dat de nadruk momenteel vooral ligt op contact met individuele kinderen. “Dat doen pedagogisch medewerkers doorgaans heel goed. Maar omdat kinderen op een kinderdagverblijf voor het eerst in contact komen met leeftijdsgenootjes, is het goed om ook daar specifieke aandacht voor te hebben.” Kinderen oefenen hun sociale vaardigheden, maar ze dagen elkaar ook uit, bijvoorbeeld op het gebied van taal, motoriek en zindelijkheid. Daarin zit een belangrijke toegevoegde waarde van de kinderdagopvang.

Primair onderwijs

Om die toegevoegde waarde nog verder uit te bouwen, wordt meer en meer samengewerkt op organisatieniveau. Soms leidt dat tot een Integraal Kindcentrum (IKC), soms zit het in afspraken met ‘partners om de hoek’. Geen model is heilig, stelt Rottenberg. Waar het volgens hem om gaat, is dat kinderen in hun wijk, op de kinderopvang en op school spelend kunnen leren. Onderlinge samenwerking is daarin essentieel.

“Ik heb gezien hoe pedagogisch medewerkers, leerkrachten en leidinggevenden elkaar dagelijks ontmoeten in een gemeenschappelijke ruimte. Hoe ze daar afstemden en toewerkten naar een gezamenlijke cultuur, dat is prachtig.” Dit fenomeen staat bekend als warme overdracht: kinderen zijn al bekend bij de leerkrachten wanneer ze op hun vierde aan het primair onderwijs beginnen.

Opleiding tot kindprofessional

Zowel Rottenberg als Aarts zijn van mening dat, willen we het pedagogisch niveau in Nederland naar een nog hoger niveau tillen, er moet worden gewerkt aan een vernieuwing in de pedagogische opleiding. Zo zou er meer aandacht moeten komen voor de contacten tussen kinderen en groepsprocessen, maar daarenboven lijkt het tijd voor een nieuw soort opleiding. Er zou een opleiding tot kindprofessional moeten komen, vindt Rottenberg.

Dit zou een geïntegreerde opleiding moeten zijn, waarin studenten voor pedagogisch medewerker ook modules kunnen volgen die aan aspirant-leerkrachten worden gegeven. Het zou volgens Rottenberg mooi zijn wanneer studenten basisonderwijs en kinderopvang op de opleiding al met elkaar in overleg gaan. Hij pleit voor permanente educatie en doorstroommogelijkheden: “Dat moeten we faciliteren. Want het stimuleren van kinderen en het zien van hun verborgen talenten, dat is een uniek vak. Daar mogen we niets in laten liggen.”