Technologische innovaties hebben een steeds grotere invloed op de samenleving. Dat zorgt voor een behoefte aan technisch opgeleide mensen in vrijwel iedere beroepsgroep. Het onderwijs kan in deze vraag voorzien door de samenwerking te zoeken met het bedrijfsleven, betogen Durk van Wieren en Gerda Vissers van onderwijsinstelling Aventus. Bijvoorbeeld in de techniek en zorg.

Wat betekent de toenemende invloed van techniek voor het onderwijs?

Vissers: “In de ziekenhuiszorg wordt rondom operaties steeds vaker gebruikgemaakt van robotisering. In de ouderenzorg en thuiszorg is eveneens meer sprake van technologische ondersteuning, zeker in het kader van mensen langer thuis laten wonen. Denk aan alarmsystemen, zorgrobots en zorg op afstand met een tablet of computer. Techniek wordt dus steeds meer onderdeel van het beroep van zorgverlener. Daarom is het belangrijk dat studenten in de opleiding leren omgaan met technische hulpmiddelen en toepassingen die in de zorg gebruikt worden. Ze moeten bijvoorbeeld leren hulpmiddelen in te zetten bij mensen thuis en hen, al dan niet op afstand, instructies geven.”

Van Wieren: “In de autobranche is sprake van technologische innovaties als elektrisch en zelfstandig rijden. Vakmensen zullen op een andere manier moeten worden opgeleid. Allereerst is er een overgang van mechanische naar ICT-technieken. Daarnaast is het zo dat als de ontwikkelingen elkaar in het huidige tempo blijven opvolgen, studenten alweer achterlopen zodra ze zijn afgestudeerd.
In het onderwijs draait het dus niet meer alleen om het bijbrengen van kennis, maar ook om mensen te leren hoe ze betrouwbare informatie kunnen vinden om die kennis mee op peil te houden. Zo leren ze een adaptieve houding aan waarmee ze zijn voorbereid op de toekomst.”

Wat kan samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven brengen?

Van Wieren: “De klassieke manier van onderwijs, met theorie, praktijk en stage, houdt het tempo van technologische ontwikkelingen niet bij. Bedrijven worden dag in dag uit geconfronteerd met de nieuwste technische ontwikkelingen en hebben via fabrikanten toegang tot kennis. Studenten kunnen dus veel van hen leren. Aan de andere kant hebben bedrijven ook moeite hun personeel continu up-to-date te houden. Zij kunnen van het onderwijs leren hoe en waar ze de benodigde informatie kunnen vinden en zich zo een nieuwe, adaptieve mentaliteit eigen maken waarmee ze zijn voorbereid op de toekomst. Bovendien zien zij in de studenten interessante toekomstige werknemers.”

Hoe geven jullie die samenwerking in de praktijk vorm?

Vissers: “Wij gaan binnen de school een Domoticahuis inrichten, een ruimte met allerlei technologische toepassingen. Hier kunnen studenten de laatste ontwikkelingen binnen de zorg zien en leren ermee om te gaan. Tegelijkertijd willen we een cross-over tussen de opleidingen Zorg & Welzijn en Techniek realiseren. Het doel is dat zij gezamenlijk in een soort laboratorium technologische oplossingen bedenken voor problemen waar studenten of bedrijven tegenaan lopen. Daarbij kunnen ze gebruikmaken van elkaars expertise. Verder kan het Domoticahuis dienen als nascholingslokaal voor zorginstellingen en als showroom voor bedrijven om de nieuwste technologische innovaties te laten zien.”

Van Wieren: “Wij hebben TechFunity opgezet. Een groep studenten wordt in een autowerkplaats geplaatst, waar ze te maken krijgen met ‘levende opdrachten’: echte opdrachten, beschikbaar gesteld door bedrijven. Aan de hand hiervan bekijken studenten hoe ze een auto kunnen repareren en onderhouden. Zo leren ze theorie met praktijk verbinden en leren ze zelf naar informatie en oplossingen te zoeken. Deze opdrachten kunnen studenten op school uitvoeren, maar ook bij het bedrijf zelf. Daarnaast hebben we een doorlopende leerlijn ontwikkeld met het vmbo. Door vroegtijdig samen te werken, krijgen leerlingen een goed beeld van het autovak en komen er hopelijk meer technische vakmensen.”