In de jeugdhulp is behoefte ontstaan aan nieuw taalgebruik. De tijd dat hulpverleners alle regie in handen namen is voorbij, maar een term als eigen kracht, die daarvoor in de plaats kwam, suggereert het andere uiterste. “Het is zoeken naar een middenweg. In de huidige jeugdhulp gaat het om samenwerking tussen hulpverlener en hulpvrager”, vertelt Mariënne Verhoef, bestuurder bij Spirit.

Waarom is nieuw taalgebruik in de jeugdzorg nodig?

“Het gaat om twee dingen: het terugdringen van beleidstaal in de omgang met jongeren en gezinnen, en een alternatief vinden voor termen die in onbruik zijn geraakt. Sommige begrippen, door beleidsmakers gemaakt, stroken niet met hoe wij met gezinnen omgaan. Een aantal jaar geleden was het gebruikelijk dat hulpverleners de zorg overnamen zodra ze werden ingeschakeld. Als tegengeluid, om gezinnen meer verantwoordelijkheden terug te geven, werden bepaalde termen gebruikt. We zoeken nu een tussenweg. Bij problemen met opgroeien en opvoeden kijken jeugdhulpverleners wat het gezin zelf kan en waar hulp nodig is. Het wordt een partnership met het gezin. Dat vraagt om geduld, inlevingsvermogen en daarbij hoort nieuwe taal.”

Wat verwacht u van de nieuwe termen?

“Nieuwe termen als ‘sociale vinding- rijkheid’ vragen om creativiteit bij hulpverleners én hulpvragers. Het gezin zoekt zelf naar mogelijkheden en hulpverleners denken voorbij de standaardoplossingen. Door taal natuurlijk en minder afstandelijk te maken, denk ik dat hulp vragen normaal en vanzelfsprekend wordt. We willen dat mensen die hulp zoeken het gevoel hebben dat het om hén gaat en er geen standaardoplossing wordt neergelegd. Er werd veel óver mensen gepraat maar nauwelijks mét. Daar komt verandering in en dat dwingt ons minder jargon te gebruiken; iets zo te formuleren dat de ander het begrijpt. Als je samen met gezinnen opschrijft wat nodig is, ben je vanzelf nog bewuster bezig met taal.”

Hoe betrekken jullie jongeren hierbij?

“Vanuit Spirit organiseren we jongeren- inspecties, waar we jongeren trainen om elkaar te interviewen, over de hulp en wat ze anders zouden willen. Als ze hun bevindingen presenteren merken we hoeveel hulpverlenerstaal erin is geslopen! Ook blijkt dat jongeren veel waardering hebben voor hulpverleners die ‘gewoon doen’ of ‘er gewoon voor je zijn’. Ook daarom willen we het taalgebruik terugbrengen naar het leven van alledag. Om de afstand te verkleinen, zodat hulpverleners en jongeren een vertrouwensrelatie kunnen opbouwen.”