Voor mensen met een psychosociale kwetsbaarheid waren er voorheen twee mogelijkheden: thuis een aantal uur in de week begeleiding krijgen of wonen in een beschermde woonvorm. “Met de komst van de Wmo zien we een variatie aan woonvormen ontstaan. Deze sluiten aan bij de intensiteit van de hulpvraag van inwoners van een gemeente,” zo leggen Janet Plegt (relatiemanager) en Ida Tulp (begeleider) van RIBW GO uit. “Bijvoorbeeld de ambulante woonvorm (begeleid wonen op afstand), waarbij iemand enigszins zelfredzaam is en kan terugvallen op meer begeleiding zodra hij dat nodig heeft. De behoefte van de cliënt leidt tot flexibel op- en afschalen van de begeleiding.”

Waarom is het belangrijk dat er tussenvormen zijn?

Tulp: “Vroeger gingen mensen met een verblijfsindicatie bijna vanzelfsprekend wonen in een beschermde woonvorm. Nu worden mensen veel meer begeleid vanuit de thuissituatie, ambulant dus. Wanneer iemand beschermd woont, stel je samen met de cliënt doelen op om de stap naar ambulante begeleiding te kunnen zetten. Bij de één duurt dit proces een jaar, bij de ander wat langer en soms zal deze stap moeilijk blijven. Een tussenstap op maat is dan een hele goede oplossing. Binnen de ambulante zorg werken we flexibel, zodat we de aansluiting met het beschermd wonen naadloos kunnen maken.”

Hoe vind je de juiste balans tussen over- en ondervragen?

Tulp: “Je kijkt samen met de cliënt goed naar wat diegene op dat moment nodig heeft. Soms gaat het een hele tijd goed, tot iets maakt dat iemand gaat ‘wankelen’. Dan maak je steeds de afweging of je het beste kunt uitdagen of beter (tijdelijk) kunt overnemen. Cliënten geven aan dat het voor hen heel erg belangrijk is om te weten dat er een professional voor ze is als dat nodig is. Cliënten zeggen: ‘hoop is brandstof voor herstel’. Daarin heeft de begeleider een belangrijke rol.”

Plegt: “Goede samenwerking met keten-partners en voor de cliënt belangrijke anderen is hierbij noodzakelijk.”

Hoe ziet zo’n tussenvorm er bijvoorbeeld uit?

Plegt: “Bij ‘begeleid wonen op afstand’ kunnen cliënten, die zich in een stabiele fase bevinden, zelfstandig huren. Ze wonen dicht bij of in een woongemeenschap met anderen die ambulant begeleid wonen. Dat zorgt ervoor dat als de cliënt daarom vraagt we sneller begeleiding kunnen opschalen. Het ‘omzien naar elkaar’, waarbij zij voor elkaar zorgen, is binnen zo’n gemeenschap gemakkelijker dan in een woonwijk. Dit geeft mensen een veilig gevoel en het voorkomt eenzaamheid.”

Hoe kijken gemeenten aan tegen de nieuwe woonvorm?

Plegt: “De betrokken gemeenten in Overijssel steunen ons in dit initiatief. Zij hebben unieke vraagstukken met een eigen achtergrond. In de ene gemeente is er sprake van een ontspannen woningmarkt, een andere heeft relatief veel jongeren met een hulpvraag. Wij bewegen mee. Dat betekent dat we luisteren waar de specifieke vraag ligt en daarop anticiperen met vernieuwend aanbod. Uitgangspunt is de eigen regie van mensen. Wat iemand zelf kan, doet hij zelf. Ondersteuning wordt alleen geboden op die onderdelen in iemands leven die hij (even) niet zelf op de rit krijgt. Alle gemeenten waar wij mee samenwerken erkennen dat er altijd een groep zal zijn die levenslang, of een groot deel van het leven, beschermd zal wonen. In onze visie staat de cliënt centraal. Dat betekent dat diens vraag en behoefte leidend is. Hierdoor zal de klassieke vorm van beschermd wonen niet verdwijnen. De behoefte van de inwoners verschilt en daarom ontstaat er een variëteit aan woonvormen.”