De zorg voor mensen die anti- stollingsbehandeling nodig hebben is volop in beweging. Nieuwe behandel-methoden en geneesmiddelen, nieuwe aanbieders van zorg en samenwerkende trombosediensten maken het mogelijk om meer keuzevrijheid en regie bij de patiënt te leggen. Prof. dr. Hugo ten Cate is voorzitter van de Federatie van Nederlandse Trombosediensten. Hij bespreekt de stand van zaken.

Wat zijn de belangrijkste ont-wikkelingen in de zorg rondom anti-stolling?

“De antistollingsbehandeling is lange tijd gedomineerd geweest door behandeling met vitamine K-antagonisten, met een centrale rol voor trombosediensten. Sinds enkele jaren is daar verandering in gekomen. Allereerst door de introductie van het zelfmeten en -doseren met meer eigen regie voor de patiënt, daarna door de opkomst van DOAC’s, Directe Orale Anticoagulantia. Deze middelen hebben nu een prominente plek in de behandeling ingenomen naast de meer traditionele behandeling met vitamine K-antagonisten. De DOAC’s kennen een vaste dagelijkse dosis en bloedcontrole is slechts in beperkte mate nodig, waardoor behandeling in opzet niet via de trombosedienst loopt.”

De laatste jaren zijn de ontwikkelingen in een stroomversnelling gekomen. Wat ligt daaraan ten grondslag?

“De totstandkoming van de Landelijke Standaard Ketenzorg Antistolling 2.0 (LSKA), de Leidraad begeleide introductie nieuwe orale antistollingsmiddelen, de nieuwe Richtlijn antitrombotische beleid en de opkomst van landelijk werkende trombosediensten zijn het belangrijkst. Ook de rol van de trombosedienst verandert, door productinnovaties en procesverbeteringen, zoals de introductie van de vingerprik als standaardmethode voor bloedafname.”

Hoe ziet de toekomst eruit?

“De nieuwe middelen, de DOACs, zullen de komende jaren een plaats hebben naast de vitamine K-antagonisten (VKA’s). Daarmee zijn er voor patiënten verschillende behandelopties: DOAC, VKA met zelfmeten, VKA met poliklinische bloedafname, VKA met bloedafname thuis en VKA met bloedafname door verpleeghuis of thuiszorg. Daarmee is het mogelijk om een op de levensfase afgestemde en medisch gezien optimale behandeloptie te kiezen.”

Wat doen trombosediensten om in te spelen op de ontwikkelingen?

“Ze zijn druk bezig zich om te vormen van traditionele trombosediensten naar regionale antistollingscentra, zoals ook beschreven in de LSKA. Bij alle behandelopties is afstemming tussen alle zorgverleners in de keten essentieel. Bij de vormgeving van regionale antistollingscentra wordt daarom de samenwerking gezocht tussen trombosedienst, ziekenhuis, huisartsen, apothekers, tandartsen, zorginstellingen en thuiszorg. Als FNT stimuleren we dit op landelijk niveau door te overleggen met bijvoorbeeld de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie en het Nederlands Huisartsen Genootschap.”

U noemt de huisartsen. In hoeverre ligt de verantwoordelijkheid voor goede trombosezorg in de toekomst bij de eerstelijnszorg?

“De huisarts zal zeker in toenemende mate een rol spelen. Het ligt voor de hand dat hij of zij de belangrijkste schakel is voor patiënten die misschien wel levenslang medicijnen moeten gebruiken. Dat kan alleen werken als je met elkaar afspraken maakt in hoeverre een trombosedienst daarbij een ondersteunende rol kan vervullen, bijvoorbeeld rond kwaliteit en veiligheid. Dat kan per huisarts en patiënt sterk verschillen. “

Wat is de rol uw organisatie?

“De FNT stimuleert haar leden de veranderingen in de antistollingszorg mede vorm te geven om daarmee de effectiviteit en veiligheid nog verder te verhogen. De nadruk ligt daarbij op regionale samenwerking en op de ontwikkeling van expertisecentra. We omarmen nieuwe vormen van behandeling en nieuwe spelers op de ‘markt’ en we stimuleren innovaties die én meer keuzevrijheid én meer eigen regie bij de patiënt impliceren.”