In een zorgdomein van almaar toenemende diagnostische mogelijkheden is het zaak dat huisartsen en diagnostische centra de handen ineenslaan. Goede ondersteuning in de diagnostische fase in de spreekkamer kan voor zowel patiënt als huisarts een wereld van verschil maken. Ketensamenwerking anno 2017 is op diagnostisch gebied per regio nog erg verschillend ingericht.

Waar de huisarts in de ene praktijk al veel diagnostische handelingen in eigen beheer heeft, zijn de middelen daartoe op de andere locatie nog maar mondjesmaat beschikbaar. Met name vanuit patiëntperspectief is het belangrijk dat er stappen worden gemaakt op het gebied van diagnostische samenwerking in de eerste lijn, vindt Arthur Eyck van eerstelijns brancheorganisatie InEen.

Een tijdige en accurate diagnose kan doorslaggevend zijn voor het leveren van de juiste zorg, vertelt hij. Zo kan een aandoening soms in een eerder stadium worden behandeld en kunnen complicaties bij chronische patiënten door monitoring worden voorkomen. “Bovendien maak je een grote preventieslag: iedere keer dat een patiënt in de eerste lijn kan worden behandeld, worden ziekenhuizen en andere specialisten in de tweede lijn ontzorgd.”

Wat kan zelf gedaan worden?

Ontzorgen van de tweede lijn valt of staat bij de juiste begeleiding van huisartsen, vervolgt Eyck. Diagnostische aanbieders moeten volgens hem actief inzetten op feedback naar aanleiding van het aanvraaggedrag van huisartsen, om hen wegwijs te maken in de zin en onzin van diagnostische middelen. “Lang niet altijd hoef je het hele arsenaal aan apparatuur uit de kast te halen.

Dat is vaak zelfs onnodig belastend.” Huisartsen doen er volgens Roland Riemersma, huisarts-onderzoeker aan de Rijksuniversiteit Groningen, goed aan voor zichzelf inzichtelijk te maken wat ze in eigen beheer kunnen houden, en wat ze het beste kunnen uitbesteden. “Soms kan een huisarts uitslagen van aanvullend diagnostisch onderzoek bijvoorbeeld zelf interpreteren, maar dikwijls heeft hij of zij er baat bij dat er snel geschakeld kan worden met een specialist die even over de schouder kan meekijken.”

Goede communicatie bij diagnostiek

Hiervoor zijn niet alleen goede afspraken met lokale ziekenhuizen in de keten belangrijk, maar ook uniforme richtlijnen en apparatuur, vervolgt Riemersma. Vooral het gebruiken van eenduidige normaalwaarden is daarbij essentieel. Als voorbeeld noemt hij de nieuwe normaalwaardentabel voor longfunctieonderzoek. De meeste huisartsen gebruiken deze tabel al, maar in ziekenhuizen wordt vaak nog de oude tabellen gebruikt. Dit kan leiden tot verwarring. “Dat is op dit moment nog een reëel probleem waar een verbeteringsslag gemaakt moet worden.”

Daarnaast, zo stelt Riemersma, moeten huisartsen die besluiten aanvullende diagnostiek in eigen beheer te doen, ook bereid zijn fors te investeren in goede apparatuur en bijscholing. Moet elke huisarts dit kunnen en willen of moet één huisarts binnen een groep zich specialiseren? Een vraag waar in elk samenwerkingsverband tussen huisartsen weer anders over gedacht wordt. Je moet steeds de afweging maken, vindt Riemersma: wat houdt een huisarts in eigen beheer en wat wordt uitbesteed? “Je moet als huisarts geen specialist willen worden met alle uitgebreide labfaciliteiten van dien. Het blijft belangrijk om bij het eigen vakgebied te blijven.”

Om uiteindelijk een kant-en-klaar pakketje van uitslagen en vergaarde data aan de patiënt te kunnen overbrengen, is goede communicatie tussen diagnostische centra, specialisten in de regio en de huisarts essentieel. De kracht van de huisarts ligt uiteindelijk in het vertalen van diagnostische informatie naar duidelijke taal voor de patiënt.